Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3649

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
10-05-2011
Zaaknummer
10/2757 WAO + 10/6817 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Eerste besluit door Uwv niet gehandhaafd. Nieuwe besluit voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Schadevergoeding. Geen sprake van overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2757 WAO

10/6817 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 april 2010, 09/2026 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 14 december 2010 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2011. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving sedert 14 april 1999 in verband met darm- en rugklachten een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 24 augustus 2004, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 januari 2005, heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 25 oktober 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij uitspraak van 21 december 2005, 05/191, heeft de rechtbank Leeuwarden het beroep van appellant tegen het besluit van 7 januari 2005 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 april 2008, LJN BD1005, heeft de Raad het besluit van 7 januari 2005 vernietigd omdat het berust op een onzorgvuldig medisch onderzoek en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraak. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft bezwaarverzekeringsarts G.W. Egbers op 17 en 26 februari 2009 de medische situatie van appellant opnieuw beoordeeld. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige J. Langius op 27 februari 2009 geconcludeerd dat de theoretische verdiencapaciteit van appellant per 25 oktober 2004 nihil is. Bij besluit van 30 maart 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 augustus 2004 gegrond verklaard en beslist dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 25 oktober 2004 onveranderd gebaseerd blijft op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Intussen had in 2008 een herbeoordeling plaatsgevonden. Bij besluit van 4 november 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant ongewijzigd voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Na bezwaar heeft het Uwv op grond van de resultaten van het door Egbers op 17 februari 2009 verrichte medisch onderzoek en het door Langius op 5 mei 2009 verrichte arbeidskundig onderzoek bij besluit van 9 juli 2009 (hierna: bestreden besluit 1) beslist dat de WAO-uitkering van appellant tot 19 juli 2009 wordt gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en met ingang van 19 juli 2009 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 onderschreven en het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn kleurenblindheid. Voorts is appellant van mening dat hij vanwege psychische en lichamelijke klachten meer beperkt is dan door het Uwv blijkens de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is aangenomen. Om die reden acht hij zich niet in staat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Bovendien zijn die functies niet met hem besproken. Verder heeft hij erop gewezen dat hij gelet op zijn klachten niet in staat is de bij de diverse functies vermelde interne opleiding te volgen. Ten slotte heeft appellant gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Het Uwv heeft op 14 december 2010 een nieuw besluit (hierna: bestreden besluit 2) genomen, waarbij de WAO-uitkering van appellant met ingang van 19 juli 2009 is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bezwaarverzekeringsarts Egbers heeft in verband met de aangevoerde kleurenblindheid op 1 december 2010 de FML aangepast. Gelet hierop heeft de bezwaararbeidsdeskundige Langius enkele functies laten vervallen en het verlies aan verdienvermogen per 19 juli 2009 berekend op 48,57%. Dit besluit komt in de plaats van bestreden besluit 1.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Het Uwv heeft te kennen gegeven het in bestreden besluit 1 ingenomen standpunt over de mate van appellants arbeidsongeschiktheid niet langer te handhaven. Dit betekent dat het door de rechtbank beoordeelde bestreden besluit 1 op een ondeugdelijke motivering berust. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en bestreden besluit 1 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5.2. Nu het Uwv de onrechtmatigheid van bestreden besluit 1 heeft erkend, komt het in beroep gedane verzoek van appellant het Uwv te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de ten onrechte niet genoten uitkering op grond van artikel 8:73 van de Awb voor toewijzing in aanmerking. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellant toekomende wettelijke rente over de na te betalen uitkering, dient te berekenen, verwijst de Raad naar artikel 4:102 van de Awb en zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495.

5.3. Met bestreden besluit 2 is het Uwv niet geheel tegemoet gekomen aan het bezwaar van appellant. Het hoger beroep van appellant wordt op grond van artikel 6:24 in samenhang met de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.

5.4. Met betrekking tot de medische grondslag van bestreden besluit 2 heeft de Raad geen aanleiding te oordelen dat het Uwv met de aangepaste FML van 1 december 2010 de beperkingen van appellant ten gevolge van zijn darm- en rugklachten, de kleurenblindheid alsmede zijn sociaal functioneren onjuist heeft vastgesteld. Uit de diverse rapporten van Egbers blijkt niet anders dan dat met de klachten van appellant rekening is gehouden. De Raad heeft in de vele in dit geding beschikbare medische gegevens evenmin aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van de door Egbers in zijn opvolgende rapporten getrokken conclusies ten aanzien van de belastbaarheid van appellant. Appellant heeft geen medische gegevens in het geding gebracht, waaruit blijkt dat hij per 19 juli 2009 - naar objectieve maatstaven gemeten - meer beperkt is dan blijkens de FML van 1 december 2010 is aangenomen.

5.5. Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv voor appellant aangenomen medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid, is de Raad van oordeel dat de functies die aan bestreden besluit 2 ten grondslag zijn gelegd, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de diverse rapporten van bezwaararbeidsdeskundige Langius, daarvan in bijzonder de rapporten van 23 juli 2010 en 1 december 2010 waarin is ingegaan op de door appellant aangevoerde gronden, welke rapporten een deugdelijke arbeidskundige onderbouwing bevatten, is een als genoegzaam aan te merken motivering gegeven van de geschiktheid van appellant deze functies te vervullen alsmede een interne opleiding te volgen. Ten aanzien van de aangevoerde grond dat de functies niet met appellant zijn besproken overweegt de Raad dat uit de wet, noch uit de jurisprudentie voortvloeit dat de functies die aan een schatting ten grondslag worden gelegd met de betrokkene moeten worden besproken. Het gaat erom dat het voor de betrokkene voldoende duidelijk is wat zijn (theoretische) arbeidsmogelijkheden zijn. Aan die eis is voldaan, nu appellant daarvan schriftelijk op de hoogte is gebracht.

5.6. Van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM is naar het oordeel van de Raad geen sprake nu de totale duur van de onderhavige procedure niet langer dan vier jaren was. Anders dan door appellant is aangevoerd, vangt de onderhavige procedure aan met het op 17 december 2008 door het Uwv ontvangen bezwaarschrift tegen het besluit van 4 november 2008. De procedure, die appellant als begin van de redelijke termijn in aanmerking neemt en die aanving met het tegen het besluit van 24 augustus 2004 ingediende bezwaarschrift, betrof een andere procedure en had betrekking op het recht op WAO-uitkering van appellant met ingang van 25 oktober 2004.

5.7. Uit hetgeen onder 5.4, 5.5 en 5.6 is overwogen volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 2 niet slaagt.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 50,60 voor de door appellant gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting in beroep en hoger beroep. Van overige kosten die voor vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komen is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade als onder 5.2 is vermeld;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 50,60;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

GdJ