Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3477

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2011
Datum publicatie
04-05-2011
Zaaknummer
10-1393 WIA + 10-2553 WIA + 10-7110 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling dagloon. De Raad is van oordeel dat het Uwv een juiste referteperiode heeft gehanteerd. Ten aanzien van de vakantiebijslag (één van de in aanmerking te nemen loonelementen) volgt de Raad het Uwv in zijn opvatting dat bij de berekening van het dagloon ten onrechte geen rekening is gehouden met de vakantiebijslag ten bedrage van € 1.312,75 over de aangiftetijdvakken 6 tot en met 12 van 2006 (uitbetaald in aangiftetijdvak 13 van 2006). Uitgaande van dit bedrag acht de Raad de nadere vaststelling van het Uwv van het dagloon per 10 december 2008 op € 117,37 juist. Met betrekking tot het besluit van 24 februari 2010 en het besluit van 16 december 2010 stelt de Raad vast dat beide besluiten uitgaan van een onjuist dagloon. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het dagloon vast te stellen op € 117,37 en te bepalen dat het Uwv alsnog aan appellante het juiste bedrag aan wettelijke rente dient te vergoeden. Afwijzing schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1393 WIA + 10/2553 WIA + 10/7110 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Puntarenas (Costa Rica), (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 februari 2010, 09/1748 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft op 24 februari 2010 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Voorts heeft het Uwv schriftelijk vragen van de Raad beantwoord waarop door appellante schriftelijk is gereageerd.

Het Uwv heeft op 16 december 2010 een besluit tot vergoeding van de wettelijke rente genomen.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2011. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Knevel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als arbeidsconsulent secretarieel voor 40 uur per week toen zij zich met ingang van 13 december 2006 ziek meldde.

1.2. Bij besluit van 30 oktober 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat er voor appellante met ingang van 10 december 2008 recht is ontstaan op een loongerelateerde uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Deze uitkering is berekend naar een dagloon van € 105,41 op basis van het loon dat zij in de periode

4 december 2005 tot 3 december 2006 (de referteperiode) ontving.

Het bezwaar van appellante tegen de bij dit besluit vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid is bij besluit op bezwaar van 6 mei 2009 gegrond verklaard. Hierbij is het dagloon gewijzigd in € 111,31.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 14 juli 2009 is nader vastgesteld dat appellante per 10 december 2008 recht heeft op een IVA-uitkering als bedoeld in Hoofdstuk 6 van de Wet WIA. Hierbij is het dagloon ongewijzigd gebleven.

2. Bij de aangevallen uitspraak is, voor zover hier relevant, het beroep tegen het besluit van 14 juli 2009 vanwege een onjuiste berekening van het dagloon gegrond verklaard en is dit besluit vernietigd met bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hierbij heeft de rechtbank aan het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is vermeld.

3.1. Op 24 februari 2010 heeft het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen waarbij het dagloon is gecorrigeerd en nader is vastgesteld op € 112,06.

3.2. Op 16 december 2010 heeft het Uwv, eveneens ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, een besluit genomen tot vergoeding aan appellante van een bedrag van € 189,57 aan wettelijke rente over de nabetaling die voortvloeit uit het besluit van 24 februari 2010.

4.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat bij het besluit van 24 februari 2010 weliswaar de door de rechtbank gesignaleerde fout is hersteld, maar (wederom) geen rekening is gehouden met de vakantiebijslag die aan haar in december 2006 is uitbetaald. Daarnaast heeft zij erop gewezen dat de referteperiode al op 29 oktober 2009 eindigde toen zij met non-activiteitsverlof ging tot het einde van haar dienstverband (op 18 december 2006). Omdat zij pas op 19 december 2005 was gestart op de arbeidsmarkt, betekent dit haars inziens dat de speciale rekenregel voor de starter/herintreder van toepassing is. Mocht zij dat verkeerd zien, dan meent zij dat het Uwv van een te geringe arbeidsurenomvang in het refertejaar is uitgegaan.

4.2. Het Uwv heeft erkend dat, gelet op de uitspraak van de Raad van 18 februari 2010, LJN BL5520, het buiten het refertejaar betaalde deel van de vakantiebijslag (over de aangiftetijdvakken 6 tot en met 12 van 2006) in dit geval vanwege het toepasselijke overgangsrecht nog betrokken had moeten worden bij de berekening van het dagloon. Het Uwv heeft erop gewezen dat appellante, als gevolg hiervan, nog recht heeft op vergoeding van de wettelijke rente over de nabetaling die hieruit voortvloeit. Het Uwv heeft de Raad verzocht zelf in de zaak te voorzien en hierbij de besluiten van

24 februari 2010 en 16 december 2010 in deze zin te corrigeren.

4.3. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting aangegeven dat hij zich kan verenigen met inwilliging van het verzoek van appellante om vergoeding van de door haar gemaakte reis- en verblijfkosten van en naar haar woonplaats.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Bij het besluit van 24 februari 2010 heeft het Uwv het dagloon opnieuw vastgesteld en bij het besluit van 16 december 2011 heeft het Uwv wettelijke rente aan appellante vergoed. Nu deze besluiten niet volledig aan het hoger beroep tegemoetkomen, worden zij, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. Eerst zal de Raad echter een oordeel geven over het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de aangevallen uitspraak.

5.2. Anders dan appellante heeft aangevoerd, eindigde de referteperiode vanwege haar verlof niet reeds op 29 oktober 2006. In artikel 4, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: het Besluit) is voor een dergelijke bekorting van de referteperiode als voorwaarde gesteld dat gedurende de periode van het verlof geen of minder loon is genoten. Aan deze voorwaarde is niet voldaan, nu appellante vanaf 29 oktober tot het einde van haar dienstverband haar reguliere loon heeft ontvangen. De Uwv-brochure “Ik krijg een WIA-uitkering. Wat betekent dat?” waaruit appellante heeft afgeleid dat de referteperiode 36 weken zou moeten bedragen, betreft de relatie tussen de duur van de vóór de aan de uitval gewerkte periode en de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering, en níet de periode waarin het loon is ontvangen dat ten grondslag ligt aan de berekening van het dagloon (het refertejaar als bedoeld in het Besluit). De Raad is van oordeel dat het Uwv een juiste referteperiode heeft gehanteerd.

5.3. Voorts overweegt de Raad dat het Uwv bij de berekening van het dagloon moest uitgaan van het loon dat appellante in de referteperiode heeft genoten, waarbij, zoals de rechtbank terecht heeft gesignaleerd, in de weken 5 tot en met 8 van 2006 diende te worden uitgegaan van het ongekorte (reguliere) loon. Om het dagloon te berekenen dienen de (daartoe in het Besluit genoemde) loonelementen te worden gedeeld door 261. Anders dan appellante meent, speelt het aantal (gewerkte) arbeidsuren geen rol bij deze berekening.

5.4. Ten aanzien van de vakantiebijslag (één van de in aanmerking te nemen loonelementen) volgt de Raad het Uwv in zijn opvatting dat bij de berekening van het dagloon - zoals door appellante gesteld in 4.1 - ten onrechte geen rekening is gehouden met de vakantiebijslag ten bedrage van € 1.312,75 over de aangiftetijdvakken 6 tot en met 12 van 2006 (uitbetaald in aangiftetijdvak 13 van 2006). Uitgaande van dit bedrag acht de Raad de nadere vaststelling van het Uwv van het dagloon per 10 december 2008 op € 117,37 juist. De berekening van dit bedrag is in de brief van het Uwv van 1 februari 2011, kenmerk B&B 884.0069.05v/RKN op juist wijze uiteengezet.

5.5. Nu de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het Uwv heeft opgedragen het dagloon uitsluitend ten aanzien van de onder 5.3 genoemde fout te corrigeren, kan de aangevallen uitspraak geen stand houden, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 en 5.4 is overwogen.

6.1. Met betrekking tot het besluit van 24 februari 2010 en het besluit van 16 december 2010 stelt de Raad vast dat beide besluiten uitgaan van een onjuist dagloon (van € 112,06). Dit leidt de Raad tot de conclusie dat het beroep dat appellante geacht wordt tegen deze besluiten te hebben ingesteld gegrond moet worden verklaard.

6.2. Met betrekking tot de door appellante gestelde schade heeft zij naar het oordeel van de Raad, met uitzondering van de wettelijke rente, niet aannemelijk gemaakt dat het hier schade betreft als gevolg van de thans vaststaande onrechtmatigheden in de in geding zijnde besluiten. Haar verzoek om schadevergoeding zal daarom in zoverre worden afgewezen.

6.3. Met hetgeen onder 5.4 tot en met 6.2 is overwogen is het geschil niet finaal beslecht. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het dagloon vast te stellen op € 117,37 en te bepalen dat het Uwv alsnog aan appellante het juiste bedrag aan wettelijke rente dient te vergoeden. Voor de vaststelling van deze vergoeding verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495.

7. De Raad ziet geen aanleiding om thans reeds aan het Uwv een termijn te stellen binnen welke moet zijn betaald. Het verzoek daartoe, alsmede het verzoek van appellante om aan de termijn een dwangsom te verbinden, wijst de Raad dan ook af.

8. Tot slot ziet de Raad aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 378,50 voor verblijfskosten overeenkomstig het tarief als genoemd in het Besluit proceskosten bestuursrecht en op € 1.082,22 voor reiskosten (inclusief reizen per openbaar vervoer in Nederland). Het Besluit proceskosten bestuursrecht voorziet niet in vergoeding van de overige door appellante gedeclareerde kosten, zoals voor een oppas van haar eigendom en voor behandelingen door een fysiotherapeut, zodat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarin is bepaald dat het Uwv een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 24 februari 2010 gegrond en stelt het in dit besluit genoemde dagloon per 10 december 2008 vast op € 117,37;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 16 december 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente zoals onder 6.3 is aangegeven;

Wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.460,72;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR