Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3335

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2011
Datum publicatie
03-05-2011
Zaaknummer
10-5375 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5375 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 september 2010, 09/1462 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2011. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen doormr. W.J. Belder.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 1998 uitgevallen voor zijn werk als uitzendkracht wegens psychische klachten. Vanaf 10 mei 1999 is hij in aanmerking gebracht voor een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij een herbeoordeling in 2004 bleek appellant naast psychische klachten een longcarcinoom te hebben. De WAO-uitkering bleef ongewijzigd.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 21 juni 2006 en op 10 oktober 2006 bij de verzekeringsarts op spreekuur geweest. Op 20 oktober 2006 heeft de verzekeringsarts een rapport opgesteld. Opgemerkt is dat appellant bij het laatste spreekuurbezoek niet benauwd was en geen depressieve indruk maakte. De verzekeringsarts stelde vast dat appellant niet langer voldoet aan het criterium ”Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden” en heeft op 27 oktober 2006 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld waarin beperkingen zijn opgenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en ook fysieke beperkingen.Daarna heeft de arbeidsdeskundige op 5 september 2008 na functieduiding het verlies aan verdienvermogen bepaald op minder dan 15%. Bij besluit van 8 september 2008 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 9 november 2008 ingetrokken.

Eveneens bij besluit van 8 september 2008 heeft het Uwv de re-integratievisie ten aanzien van appellant vastgesteld.

2. Appellant heeft tegen beide besluiten van 8 september 2008 bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase is de bezwaarverzekeringsarts op basis van eigen onderzoek van appellant en weging van de medische gegevens tot de conclusie gekomen dat er geen argumenten zijn om af te wijken van de FML van 27 oktober 2008, behoudens een aantekening bij onderdeel 2.10 Vervoer, namelijk “geen chauffeursfuncties”. De bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat er voldoende passende functies overblijven om de intrekking van de WAO-uitkering op te baseren. Bij besluit van 9 maart 2009 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 8 september 2008 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er sprake is geweest van een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek en dat er onvoldoende argumenten zijn om appellant te volgen in zijn stelling dat hij verdergaand beperkt is dan door de verzekeringsartsen is vastgesteld. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat uit de voorhanden gedingstukken voldoende blijkt dat de geduide functies voor appellant passend zijn.

4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij zich niet kan vinden in de overweging van de rechtbank dat op basis van de beschikbare gegevens geen reden bestaat om te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid. De depressieve klachten zijn al jaren niet verminderd. Volgens appellant is onvoldoende aandacht besteed aan het verband tussen de psychische klachten en de longklachten. Appellant heeft informatie van de huisarts en de longarts overgelegd en verzocht om een nader psychiatrisch onderzoek.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad onderschrijft hetgeen ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit door de rechtbank is overwogen. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts informatie van de huisarts en de longarts in zijn oordeelsvorming heeft betrokken. Uit de informatie is onder meer naar voren gekomen dat blijkens recent onderzoek appellant geen recidief longcarcinoom heeft en daarmee al zes jaar tumorvrij is. Naar aanleiding van de in hoger beroep overgelegde medische informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 18 november 2010 gemotiveerd aangegeven dat ook deze informatie geen aanleiding vormt om een ander standpunt in te nemen. De bezwaarverzekeringsarts wijst erop dat op de datum in geding de kernsymptomen van depressie ontbraken en heeft voorts gewezen op zijn rapport van 18 februari 2009. De Raad onderschrijft de reactie van de bezwaarverzekeringsarts op de in hoger beroep ingebrachte gegevens. De Raad merkt op dat de door appellant benadrukte vrees voor een recidief van het longcarcinoom bij de bezwaarverzekeringsarts bekend was, en dat voor de stelling van appellant dat die angstklachten tot meer beperkingen leiden een toereikende objectief medische onderbouwing ontbreekt. In het hiervoor overwogene ligt besloten dat ook de Raad het niet noodzakelijk acht om een deskundige te benoemen.

5.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit is de Raad van oordeel, gelet op de arbeidskundige rapportages van 5 september 2008 en 3 maart 2009, dat appellant terecht in staat is geacht de bij de onderhavige schatting in aanmerking genomen functies te verrichten.

6. Uit de overwegingen 5.2 en 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

NK