Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3334

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
03-05-2011
Zaaknummer
09/2906 WWB + 09/2907 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstand is terecht verleend onder aftrek van de inkomsten die appellanten hebben uit de toelage van de moeder van appellant en van de voorlopige teruggave die aan appellante was toegekend. Uit de verklaringen van de moeder volgt dat er geen lening is aangegaan met een concrete en daadwerkelijke aflossingsverplichting, zodat de door de moeder ter beschikking gestelde bedragen gerekend moeten worden tot de middelen waarover appellanten konden beschikken in de zin van artikel 31 van de WWB. Dat het niet gaat om een schenking, en dat er in de civielrechtelijke verhouding tussen appellanten, de moeder en de erfgenamen wel sprake is van een lening, doet hieraan niet af. Daarvoor gelden immers andere criteria dan in het kader van de toepassing van de WWB. Appellanten zijn in staat gebleken om de betalingen van de Belastingdienst te leiden naar een bankrekening, waardoor zij die middelen konden aanwenden om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Niet valt in te zien waarom zij dit niet eerder hebben kunnen doen. Dit betekent dat appellanten ook redelijkerwijs konden beschikken over betalingen van Belastingdienst die eerder op de andere bankrekening zijn gestort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2906 WWB

09/2907 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 23 april 2009, 08/429 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H.R. Slot, advocaat te Emmen, hoger beroep ingesteld.

Mr. G.H. Thasing, advocaat te Emmen, heeft de behandeling van de zaak overgenomen en zich nadien weer aan de zaak onttrokken.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2011. Appellanten zijn verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Bethlehem, werkzaam bij de gemeente Emmen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 24 oktober 2007 hebben appellanten een aanvraag gedaan om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 24 januari 2008 heeft het College appellanten bijstand verleend met ingang van 15 september 2007 naar de norm voor gehuwden onder aftrek van de inkomsten die appellanten hebben uit de toelage van de moeder van appellant (hierna: de moeder) en van de voorlopige teruggave die aan appellante was toegekend. Appellanten hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt voor zover het die aftrek betreft.

1.3. Bij besluit van 3 april 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 januari 2008 ongegrond verklaard. Het College heeft daartoe overwogen dat appellante in 2007 de Algemene heffingskorting minstverdienende partner ontving en dat zij daar waarschijnlijk geen recht op heeft. Zolang appellante die korting ontvangt, moet die gekort worden op de bijstand. Over de door de moeder ter beschikking gestelde bedragen heeft het College overwogen dat deze niet als schulden kunnen worden aangemerkt, omdat daaraan geen reële terugbetalingsverplichting is verbonden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 april 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling waarbij hij voor de van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Appellanten betogen dat de voorlopige teruggaaf van de onder 1.3 genoemde heffingskorting van € 170,-- per maand niet behoort tot de middelen waarover appellanten konden beschikken, omdat deze teruggaaf werd gestort op een bankrekening met een groot negatief saldo en waarop bovendien beslag lag.

4.2. De Raad leidt uit de tot het dossier behorende bankafschriften van appellanten af dat een betaling van de Belastingdienst van € 170,--, met onder meer de vermelding van de naam van appellante en de maand juli 2007, is gestort op een bankrekening op naam van appellanten met een zeer aanmerkelijk negatief saldo. De Belastingdienst heeft op

12 en 15 oktober 2007 op een andere bankrekening op naam van appellant steeds € 170,-- gestort onder vermelding van de naam van appellante en het jaar 2007 en in één geval de maand oktober. Van deze bankrekening zijn betalingen gedaan in oktober en november 2007 voor huur en verzekeringen. Op deze rekening heeft de Belastingdienst ook een bedrag van € 102,-- gestort als zorgtoelage voor appellant. Hieruit volgt dat appellanten in staat zijn gebleken om de betalingen van de Belastingdienst te leiden naar een bankrekening, waardoor zij die middelen konden aanwenden om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Niet valt in te zien waarom zij dit niet eerder hebben kunnen doen. Dit betekent dat appellanten ook redelijkerwijs konden beschikken over betalingen van Belastingdienst die eerder op de andere bankrekening zijn gestort. In zoverre faalt het hoger beroep.

4.3. Appellanten betogen voorts dat zij, omdat zij nog geen bijstand hadden, geld hebben moeten lenen van de moeder. De aldus van de moeder ontvangen bedragen van € 1.000,-- per maand zijn dus geen middelen in de zin van de WWB waarover zij kunnen beschikken.

4.4. Niet in geschil is dat appellanten in de maanden september 2007 tot en met december 2007 en januari 2008 een bedrag van € 1.000,-- van de moeder hebben ontvangen, bestemd om daarmee te voorzien in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Naar vaste rechtspraak van de Raad hebben appellanten, indien anderen feitelijk hebben voorzien in die kosten, recht op bijstand ter zake indien zij aannemelijk maken dat zij om die reden en in die periode een reële schuld met daadwerkelijke, concrete aflossingsverplichtingen jegens die anderen zijn aangegaan.

4.5. In een schriftelijke verklaring van 24 januari 2008 heeft de moeder over de lening in verband met gebrek aan inkomsten het volgende aan appellant geschreven:

“[F.], zoals je zult begrijpen kan ik niet doorgaan met het verlenen van financiële bijstand in de vorm van een renteloos maandelijks voorschot. Mijn persoonlijke situatie is door gezondheidsredenen dermate onzeker dat ik mij niet kan permitteren nog meer op mijn spaargeld in te teren. Tevens zou ik graag zien dat op korte termijn aan terugbetaling van het geleende bedrag ad € 11.000 wordt gewerkt.”

Bij het bezwaarschrift van 22 februari 2008 hebben appellanten een ongedateerde notitie van de moeder overgelegd met de volgende tekst:

“Vanaf april 2007 leen ik mijn zoon geld voor het onderhoud van zijn gezin. Sinds die datum heeft hij geen eigen inkomsten meer. Aangezien ik een redelijk pensioen ontvang en vanuit het verleden nog wat spaargeld heb, ben ik gelukkig in staat hem maandelijks € 1.000,-- te lenen ten einde de meest urgente kosten te bestrijden. Het moet echter wel als rentevrije lening worden gezien, waarvan de aflossing in zal gaan zodra hij weer een regulier inkomen krijgt, dat hem veroorlooft zijn schulden te voldoen.”

In hoger beroep hebben appellanten een door de moeder op 25 februari 2011 ondertekende verklaring overgelegd. Deze verklaring betreft een in 2008 tot een bedrag van € 11.000,-- opgelopen lening. Deze verklaring houdt in dat het niet om een schenking gaat en heeft - voor zover van belang - de volgende inhoud:

“Dat de termijn van terugbetaling van deze lening rekbaar werd omschreven was [om]dat onze zoon op het moment van het aangaan van de lening absoluut niet kon aangeven wanneer en op welke termijn hij deze lening kon aflossen. Als moeder kon ik niet aandringen op het noemen van een datum, aangezien er al een ongelooflijke stresssituatie was in dit gezin. Wel wilden wij beiden deze affaire vastgelegd hebben op papier voor het geval mij iets zou overkomen. In onze beider opinie zou de lening dan beschouwd dienen te worden als behorend tot de erfenis. Verrekening met zijn erfdeel kon dan plaatsvinden, zodat de tweede zoon toch zijn deel zou krijgen.”

4.6. De Raad is met het College en de rechtbank van oordeel dat uit de verklaringen van de moeder volgt dat er geen lening is aangegaan met een concrete en daadwerkelijke aflossingsverplichting, zodat de door de moeder ter beschikking gestelde bedragen gerekend moeten worden tot de middelen waarover appellanten konden beschikken in de zin van artikel 31 van de WWB. Dat het niet gaat om een schenking, en dat er in de civielrechtelijke verhouding tussen appellanten, de moeder en de erfgenamen wel sprake is van een lening, doet hieraan niet af. Daarvoor gelden immers andere criteria dan in het kader van de toepassing van de WWB.

4.7. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) J. van Dam.

HD