Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3326

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
03-05-2011
Zaaknummer
09/2784 AWBZ en 09/3592 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag tegemoetkoming ten behoeve van 2 kinderen met epilepie, berust op goede gronden. Niet gebleken dat het door de SVB gehanteerde Beoordelingsinstrument als zodanig in strijd komt met enige regel van geschreven of ongeschreven recht of met enig algemeen rechtsbeginsel. Hoogte van de zorgscore.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2784 AWBZ en 09/3592 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van 10 april 2009, 08/982 en 10 juni 2009, 09/300 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB)

Datum uitspraak: 20 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen beide aangevallen uitspraken.

De SVB heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 9 maart 2011. Voor appellante is mr. Bakker verschenen en de SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M. Aalders, werkzaam bij de SVB en drs. G.A.C.G. Durlinger, arts bij ClientFirst Intermediairs te Zeist.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op grond van de Regeling tegemoetkoming thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (hierna: TOG 2000) een tegemoetkoming aangevraagd ten behoeve van haar [naam dochter] (hierna: dochter), geboren [in] 1994, en haar [naam zoon] (hierna: zoon), geboren [in] 1991. Beiden zijn bekend met epilepsie. Zij bezoeken het regulier voortgezet onderwijs.

1.2. In het kader van het onderzoek naar het recht op de tegemoetkoming heeft de verzekeringsarts M. Harbiye van ClientFirst Intermediairs te Zeist (hierna: ClientFirst) op 14 mei 2008 aan SVB een medisch advies uitgebracht. Daarbij is aangegeven dat er bij zoon en dochter sprake is van door ziekte of stoornis veroorzaakte beperkingen. Deze zijn beoordeeld met behulp van het Beoordelingsinstrument TOG, waarbij voor beide kinderen elk een score van vier punten is vastgesteld, één punt voor medische verzorging, twee punten voor alleen thuis zijn en één punt voor begeleiding buitenshuis. Geconcludeerd is dat zoon en dochter niet aanzienlijk meer afhankelijk zijn van geregelde oppassing en verzorging dan een gezond kind van dezelfde leeftijd. Vervolgens heeft de SVB appellante bij twee besluiten van 22 mei 2008 meegedeeld, dat zij met ingang van het eerste kwartaal van 2007 geen recht heeft op een tegemoetkoming op grond van de TOG 2000. Het aantal punten dat ClientFirst voor zoon en dochter heeft bepaald ligt onder het voor hun leeftijd vereiste minimumaantal van zes.

1.3. Appellante heeft tegen het besluit van 22 mei 2008 bezwaar gemaakt. Volgens haar kan zij beide kinderen niet alleen laten in verband met valgevaar. Zij kunnen ook niet alleen naar school gaan; de dochter gaat met de taxi naar school. De zoon komt na een aanval niet snel bij en kan de hele dag duizelig zijn.

1.4. Naar aanleiding van de gemaakte bezwaren heeft drs. Durlinger bij brieven van 31 augustus 2008 een tweetal medische adviezen uitgebracht. Deze arts heeft geconcludeerd dat voor de dochter terecht vier punten zijn toegekend en dat bij de zoon voor begeleiding buitenshuis nader beschouwd geen punt kan worden toegekend, zodat zijn totaalscore in drie punten resulteert.

1.5. Bij twee besluiten van 30 september 2008 heeft SVB de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 22 mei 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 30 september 2008 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorop gesteld dat de SVB bij de beoordeling gebruik heeft kunnen maken van het door appellante ingevulde vragenformulier, aangezien niet gebleken is dat er sprake is van een onjuiste beantwoording van de gestelde vragen in verband met vermeende gebrekkige kennis van de Nederlandse taal. De rechtbank heeft geoordeeld dat de SVB zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante voor beide kinderen, gelet op de aan de hand van het Beoordelingsinstrument TOG berekende scores, niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de door de bezwaararts vastgestelde score voor onjuist te houden.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat de TOG 2000 tot doel heeft ouders/verzorgers die een zeer ernstig gehandicapt kind thuis verzorgen, terwijl dit kind gelet op de aard en mate van zijn handicap in een intramurale AWBZ-instelling geplaatst zou kunnen worden, financieel tegemoet te komen.

4.2.1. In artikel 2 van de TOG 2000 is bepaald dat als kind wordt aangemerkt een persoon tussen de 3 en 18 jaar, die ernstig beperkt is in het dagelijks functioneren als gevolg van een ziekte of stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard waardoor hij blijvend of voorlopig blijvend gehandicapt is.

4.2.2. In artikel 3 van de TOG 2000 is - kort gezegd - bepaald dat als (voorlopig) blijvend gehandicapt wordt aangemerkt het kind dat (a) aanzienlijk meer afhankelijk is van geregelde verzorging en oppassing dan een gezond kind van dezelfde leeftijd en (b) aanspraak kan maken op opname in een AWBZ-instelling.

4.2.3. In artikel 4, eerste lid, van de TOG 2000 is bepaald dat de natuurlijke persoon die hier te lande woont en tot wiens huishouden het kind hier te lande op de peildag behoort, over dat kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming in de onderhoudskosten van dat kind op grond van deze regeling.

4.2.4. Bij de beoordeling of sprake is van afhankelijkheid van geregelde oppassing en verzorging als bedoeld in artikel 3, onder a, van de TOG 2000 wordt door de SVB, overeenkomstig daartoe opgestelde beleidsregels, gepubliceerd in Stcrt. 2005, 109 (werkend tot 3 juni 2007) en in Stcrt. 2007, 103 (in werking getreden per 3 juni 2007), vastgesteld of en in welke mate het kind is aangewezen op hulp met betrekking tot de volgende aspecten: lichaamshygiëne, zindelijkheid, eten en drinken, mobiliteit, medische verzorging (de categorie verzorging) en gedragsproblemen, communicatiegebreken, de onmogelijkheid alleen thuis te zijn, begeleiding buitenshuis en handreikingen en begeleiding (de categorie oppassing). Per subcategorie wordt beoordeeld of het kind in sterke of in lichte mate afhankelijk is van hulp, toezicht en begeleiding. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt met de mate van hulp, toezicht en begeleiding die een gezond kind van dezelfde leeftijd nodig heeft.

4.2.5. De SVB hanteert bij die beoordeling een interne uitvoeringsrichtlijn voor deskundigen, het zogenoemde Beoordelingsinstrument TOG. Dit Beoordelingsinstrument zoekt aansluiting bij de toelichting van de TOG 2000 en de door de SVB opgestelde beleidsregels. In het Beoordelingsinstrument wordt een nadere uitwerking gegeven aan de in het beleid genoemde beoordelingsthema’s, waarbij per thema, afhankelijk van de zorgzwaarte, 0, 1 of 2 punten worden toegekend. Om te kunnen spreken van aanzienlijk meer afhankelijk zijn van geregelde oppassing en verzorging dan een gezond kind van dezelfde leeftijd, hanteert de SVB een minimale score van zes punten voor kinderen van twaalf jaar en ouder.

4.3. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen is niet gebleken dat het Beoordelingsinstrument als zodanig in strijd komt met enige regel van geschreven of ongeschreven recht of met enig algemeen rechtsbeginsel. Het Beoordelingsinstrument kan in beginsel dan ook als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming op grond van de TOG 2000 worden genomen.

4.4. Tussen partijen is de hoogte van de zorgscore in geschil.

4.4.1. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij de door haar ingevulde medische vragenformulieren door onvoldoende begrip van de vragen niet genuanceerd genoeg heeft ingevuld. De kinderen kunnen inderdaad wel zelf eten en drinken, maar zij gebruiken medicatie als gevolg waarvan zij ’s ochtends niet gemakkelijk opstaan en duizelig zijn. Appellante moet hun ontbijt klaarmaken, kleding klaar leggen en hen aansporen bij activiteiten op het gebied van de in het Beoordelingsinstrument genoemde subcategorieën “lichamelijke hygiëne”, “eten en drinken”. Zij komen daarom bij deze subcategorieën in aanmerking voor een extra punt, evenals - in verband met valgevaar - voor de subcategorie “mobiliteit”. Voor de zoon moet ook een punt worden toegekend voor begeleiding buitenshuis, evenals voor “bezig houden/handreikingen”.

4.4.2. De SVB heeft aangegeven dat het medisch vragenformulier een groot aantal vragen over de behoefte aan hulp van de ouders bevat, waarbij ruimte is om een toelichting te geven, en dat appellante op de hoorzitting niet is teruggekomen van haar eerdere beantwoording van de medische vragenformulieren. De SVB stelt zich op het standpunt dat beide kinderen zichzelf kunnen wassen en aan- en uitkleden, zelfstandig kunnen eten, boterham smeren, drinken pakken en inschenken en vlees snijden, zodat er voor de subcategorieën “lichaamshygiëne” en “eten en drinken” geen punten kunnen worden toegekend. Van beperkingen ten gevolge van medicijngebruik is de SVB niet gebleken en deze acht de SVB ook niet aannemelijk. Wat betreft de subcategorie “mobiliteit” is niet gebleken dat er sprake is van een motorische of energetische beperking in het lopen. Het feit dat de dochter niet alleen de trap afgaat wordt niet hierdoor maar door angst voor vallen veroorzaakt en kan in deze subcategorie niet tot extra punten leiden. Wat betreft de “begeleiding buitenshuis” stelt SVB zich op het standpunt dat de dochter hulp nodig heeft bij deelname aan het verkeer, nu zij met de taxi naar school gaat, en dat verder toezicht nodig is als ze buiten is, terwijl zij anderzijds wel eens naar een vriendin gaat maar alleen als die haar thuis komt ophalen. SVB ziet hierin geen reden om de toegekende score van één punt op te hogen naar twee. Met betrekking tot de zoon heeft SVB geen punten voor deze subcategorie toegekend, omdat hij samen met vrienden zelfstandig met de trein naar school reist. Voor hem acht SVB ook geen hulp nodig bij “bezighouden/handreikingen”, omdat er geen toezicht en begeleiding nodig is bij het spelen binnenshuis. Hij kan zich goed alleen bezig houden met computeren, tv-kijken en luisteren naar muziek.

4.5. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank over het gebruik van de door appellante ingevulde vragenformulieren en ook het eindoordeel van de rechtbank, dat het Beoordelingsinstrument TOG voor de dochter en de zoon een te lage score oplevert om vanaf het eerste kwartaal van 2007 voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen.

4.5.1. De door appellante gestelde beperkingen ten gevolge van medicijngebruik bij de subcategorieën “lichaamshygiëne” en “eten en drinken” blijken noch uit de medische vragenformulieren, noch uit de door appellante op de hoorzitting gegeven informatie en vinden ook geen onderbouwing in de medische gegevens, waaronder een aantal verklaringen van de behandelend kinderneuroloog prof. dr. O.F. Brouwer. De SVB heeft bij deze subcategorieën terecht geen punten toegekend.

4.5.2. Met betrekking tot de subcategorie “mobiliteit” onderschrijft de Raad het standpunt van de SVB, dat niet is gebleken van een energetische of een motorische beperking. Het toezicht in verband met vallen betreft de subcategorie “alleen thuis zijn”, waarvoor twee punten zijn aangegeven. Voor “mobiliteit” is dan ook terecht geen punt gegeven.

4.5.3. Wat betreft de subcategorie “bezighouden, handreikingen” stelt de Raad vast dat appellante erkent, dat de kinderen zichzelf kunnen vermaken. Niet gebleken is dat de aandacht die zij van hun moeder behoeven in verband met de verwerking van door hen ervaren problemen in verband met hun ziekte zodanig is dat hiervoor één punt zou moeten worden gegeven.

4.5.4. Wat betreft de subcategorie “begeleiding buitenshuis” heeft de SVB onvoldoende gemotiveerd, dat hiervoor bij de zoon geen punt behoeft te worden gerekend. Het standpunt van de SVB is afgeleid, zo blijkt uit de rapportage van 31 augustus 2008 van drs. Durlinger, uit het feit dat hij zelfstandig met vrienden naar school gaat. Hieruit kan echter niet geconcludeerd worden dat hij ook bij bezoek van clubs, vrienden of familie niet afhankelijk is van begeleiding door de moeder, temeer daar hij bij de subcategorie “alleen thuis zijn” twee punten scoort. Bovendien heeft appellante op het medisch vragenformulier aangegeven dat hij daarbij wel begeleiding nodig heeft. Niet gebleken is dat zij daarvan later afstand heeft genomen en uit het verslag van de hoorzitting blijkt ook niet dat daar ander bezoek dan aan school aan de orde is gesteld. Niettemin kan dit motiveringsgebrek niet tot een ander eindoordeel leiden, omdat ook met één punt voor de subcategorie “begeleiding buitenshuis”de totaalscore voor de zoon vier punten is. Dit is te weinig om in verband met de zorg voor de zoon voor een tegemoetkoming op grond van de TOG 2000 in aanmerking te komen.

4.6. De beroepsgronden slagen niet en de aangevallen uitspraken komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 20 april 2011.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD