Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3323

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2011
Datum publicatie
03-05-2011
Zaaknummer
10-2628 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toegenomen arbeidsongeschiktheid (15-25%). Beperkingen niet onderschat. Voldoende gemotiveerd dat geduide functies geschikt zijn. Appellante mocht er ten tijde van de inroeping van medisch adviseur van uitgaan dat deze adviseur een bijdrage zou leveren aan een voor haar gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Niet bepalend is dat de rapportage uiteindelijk niet heeft bijgedragen aan enige grond waarop de rechtbank tot haar beslissing tot vernietiging van het bestreden besluit is gekomen. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de kosten van de medisch adviseur van appellante niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2628 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 21 april 2010, 09/1269 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Ph.C. Kleyn van Willigen, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2011.

Appellante is verschenen, bijgestaan door S. Karasoylu. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in januari 2000 met psychische klachten uitgevallen voor haar werk als productiemedewerkster. Voorheen is appellante uitgevallen met klachten van het bewegingsapparaat. Met ingang van 25 januari 2001 is aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is per 25 april 2005 ingetrokken op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op die datum minder dan 15% was.

1.2. Op 25 november 2008 heeft appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met ingang van 15 juni 2008. Bij besluit van 23 februari 2009 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een WAO-uitkering toe te kennen per 13 juli 2008.

1.3. Bij besluit van 8 juli 2009 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard, en aan appellante per 13 juli 2008 een WAO-uitkering toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tevens is een kostenvergoeding toegekend.

1.4. Bij besluit van 3 februari 2010 heeft het Uwv het dagloon van de WAO-uitkering vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit van 8 juli 2009 onderschreven. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van 8 juli 2009 samen met het besluit van 3 februari 2010 het in beroep bestreden besluit vormt, aangezien de besluitvorming eerst met het besluit van 3 februari 2010 was voltooid. De getrapte wijze van besluitvorming is door de rechtbank in strijd geacht met het stelsel van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft om deze reden het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft voorts overwogen dat ten tijde van het bestreden besluit als gevolg van een beperkende toelichting in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) (nog) geen volledige toelichting op de geduide functies was gegeven. De toelichting is eerst in de fase van het beroep gegeven. Ook hierin heeft de rechtbank grond gezien voor vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven en heeft bepalingen gegeven omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht. Voor een vergoeding van de gemaakte kosten voor het inschakelen van de medisch adviseur van gemachtigde heeft de rechtbank geen aanleiding gezien.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat. Zij acht onderzoek door een onafhankelijk deskundige gewenst. Voorts heeft appellante aangevoerd dat zij op grond van haar medische beperkingen niet in staat is de geduide functies te vervullen Appellante heeft ook aangevoerd dat de kosten van de medisch adviseur ten onrechte niet zijn vergoed.

In verweer heeft het Uwv zijn standpunt gehandhaafd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Evenals de rechtbank heeft ook de Raad, gelet op het geheel van de omtrent appellante beschikbare gegevens zoals deze naar voren komen uit de rapporten van (bezwaar)verzekeringsarts, geen aanknopingspunten gevonden om aan de bevindingen van de verzekeringsgeneeskundigen te twijfelen.

4.2. Bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans heeft in zijn rapportage van 29 juni 2009 genoegzaam onderbouwd dat appellante als gevolg van een aanpassingsstoornis/dysthyme stoornis beperkt is ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren, dat zij in verband met de gebruikte medicatie beperkt is ten aanzien van werken op onveilige plaatsen/hoogten of met onvoldoende af te schermen machines en dat zij beperkt is ten aanzien van beroepsmatig chaufferen. Voorts acht de bezwaarverzekeringsarts appellante vanwege diverse fysieke aandoeningen aangewezen op fysiek niet zware, rug- en beensparende arbeid. Vanwege de verstoorde slaap is werken in de nacht niet gunstig en vanwege astma/bronchitis is appellante aangewezen op niet bovennormale stofbelasting. Een beperkende toelichting ten aanzien van traplopen dient te worden gecorrigeerd en ten aanzien van verhoogd persoonlijk risico dient een beperking te worden aangenomen. Behoudens ten aanzien van het item traplopen, zijn genoemde beperkingen vastgelegd in de FML van 29 juni 2009.

4.3. In beroep heeft bezwaarverzekeringsarts Hofmans desgevraagd de FML op25 maart 2010 aangepast ten aanzien van het item traplopen. In zijn nadere rapportage van 25 maart 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat de door appellante ingebrachte informatie van orthopedisch chirurg C.J. Koorevaar van 6 november 2009, van klinisch psycholoog R. Eryigit van 10 november 2009, van psychiater dr. R.P. Soeters van 3 november 2009, van huisarts R.J. de Vos van 11 januari 2010 en van medisch adviseur D. Sok van 5 en 19 november 2009 geen betrekking heeft op de datum in geding 13 juli 2008, maar op de tweede helft van het jaar 2009.De rechtbank heeft in de door appellante in beroep overgelegde medische gegevens terecht geen aanleiding gezien om tot een andersluidend oordeel te komen, nu deze geen ander licht werpen op de medische situatie van appellante ten tijde in geding. De Raad ziet met de rechtbank geen redenen om een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.

4.4. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige genoegzaam heeft gemotiveerd dat appellante ondanks de voor haar vastgestelde beperkingen, in staat kan worden geacht de geduide functies te vervullen.

4.5. Wat betreft de kosten van de in beroep uitgebrachte adviezen van medisch adviseur D. Sok heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen om reden dat geen twijfel bestaat aan het medisch oordeel van verweerder. In beroep heeft appellante een declaratie van € 291,31 overgelegd van medisch adviseur Sok. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen deze kosten voor toewijzing in aanmerking en komt appellante een vergoeding toe van € 291,31. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellante ten tijde van de inroeping van genoemde medisch adviseur ervan uit mocht gaan dat deze adviseur een bijdrage zou leveren aan een voor haar gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Niet bepalend is dat de rapportage uiteindelijk niet heeft bijgedragen aan enige grond waarop de rechtbank tot haar beslissing tot vernietiging van het bestreden besluit is gekomen. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 11 maart 2009 (LJN BH5993).De in hoger beroep ter zitting overgelegde declaraties van medisch adviseur Sok van 11 december 2009 en 30 september 2010, ten bedrage van respectievelijk € 154,70 en € 15,47, komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat niet kan worden vastgesteld op welk schriftelijk verslag dan wel schriftelijke verslagen deze declaraties betrekking hebben.

4.6. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de kosten van de medisch adviseur niet voor vergoeding in aanmerking komen; Voor het overige komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 437,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en € 30,- aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 467,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de kosten van de medisch adviseur niet voor vergoeding in aanmerking komen;

Veroordeelt het Uwv in kosten van de medisch adviseur in beroep tot een bedrag groot € 291,31;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag groot € 467,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

JL