Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3304

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
03-05-2011
Zaaknummer
09/2304 WWB + 09/2305 WWB + 09/2181 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstandsuitkering berust op goede gronden. Gezamenlijke huishouding. Toereikende grondslag voor de conclusie dat appellanten hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. Wederzijdse zorg. In een zaak als de onderhavige, waarin intrekking en (mede)terugvordering van bijstand aan de orde is, gaat het niet om een strafrechtelijke procedure, zodat de beschermende werking van art. 6, lid 3, EVRM, zich niet tot appellanten uitstrekt. Dat geen raadsman aanwezig is geweest, bij het afleggen van de verklaring, is geen belemmering. Geen aanleiding om de juistheid van de afgelegde verklaringen in twijfel te trekken. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2304 WWB

09/2305 WWB

09/2181 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 maart 2009, 08/3294 en 08/4173 (hierna: aangevallen uitspraak 1),

en

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 maart 2009, 08/4069 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W. Nass, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Namens appellant heeft mr. A.M. van Kuijeren, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2011. De gedingen zijn daarbij gevoegd behandeld. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nass. Ook appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.A. Bouter, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 14 september 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding, inhoudende dat appellante samenwoont met appellant, heeft de sociale recherche Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn observaties verricht bij de woning van appellante, zijn buurtbewoners gehoord en zijn appellanten door twee sociaal rechercheurs verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 13 maart 2008. Daarin is geconcludeerd dat appellanten in de periode van 14 september 2001 tot en met 29 februari 2008 (hierna: de periode in geding) een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de woning van appellante.

1.3. Bij afzonderlijke besluiten van 20 maart 2008 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 14 september 2001 ingetrokken op de grond dat zij vanaf die datum, zonder bij het College daarvan melding te maken, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant, zodat zij niet als zelfstandig rechtssubject van bijstandsverlening kan worden beschouwd en daarom geen recht had op de aan haar toegekende bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Voorts zijn de gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand over de in geding zijnde periode tot een bedrag van in totaal € 75.773,27 van haar teruggevorderd. Bij dezelfde besluiten heeft het College appellant medegedeeld dat dit bedrag mede van hem wordt teruggevorderd.

1.4. Bij besluiten van 4 juli 2008 en 28 augustus 2008 (hierna: besluiten 1 en 2) heeft het College de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 20 maart 2008 ongegrond verklaard.

1.5. Bij besluit van 29 augustus 2008 (hierna: besluit 3) heeft het College de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 20 maart 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen besluit 3 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Algemene bijstandswet en de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun relatie niet van belang.

3.2. De Raad is van oordeel dat de bevindingen van het onderzoek een toereikende grondslag vormen voor de conclusie dat appellanten ten tijde in geding hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. De Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen die appellanten op 6 februari 2008 tegenover de sociaal rechercheurs hebben afgelegd. Beiden hebben afzonderlijk van elkaar verklaard dat appellant vanaf de geboorte van hun zoon op 17 mei 2001 merendeels bij appellante verblijft. Hetgeen appellanten hebben verklaard vindt voorts steun in de van 19 november 2007 tot en met 16 januari 2008 bij de woning van appellante verrichte observaties en de door de buurvrouw van appellante afgelegde verklaring.

3.3. De Raad is verder van oordeel dat ook aan het tweede criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding, dat van de wederzijdse zorg, is voldaan. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante heeft verklaard dat appellant beschikte over de sleutel van haar woning, dat gezamenlijk werd gegeten bij appellante, dat appellant haar wel eens financieel ondersteunt en goederen zoals een koelkast en een oven voor appellante heeft aangeschaft. De verklaring van appellant komt hiermee overeen.

3.4. Appellante heeft onder verwijzing naar de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 27 november 2008, 36391/02 (Salduz, LJN BH0679, en 11 december 2008, 4268/04 (Panovits), LJN BH0680, samengevat, aangevoerd dat het College de op 6 februari 2008 door appellanten afgelegde verklaringen niet mag gebruiken als bewijs voor zijn standpunt, omdat de verklaringen niet juist zijn weergegeven in de processen-verbaal van het verhoor van 6 februari 2008. Ook stelt zij dat zij door de sociale recherche onder druk is gezet en misleid en dat het College enkel met belastende verklaringen rekening heeft gehouden. Appellant heeft hieraan toegevoegd dat de verklaringen zijn afgelegd zonder dat zij in de gelegenheid zijn gesteld om zich te laten bijstaan door een raadsman.

3.5. De Raad volgt appellanten niet in hun stelling dat, als uitvloeisel van voornoemde arresten van het EHRM, de verklaringen die appellanten ten overstaan van de sociaal rechercheurs hebben afgelegd niet als ondersteuning voor de besluitvorming van het College hadden mogen worden gebruikt, omdat niet vanaf de aanvang van het onderzoek een raadsman aanwezig is geweest. Nog daargelaten of een dergelijk recht in die vorm zonder meer voortvloeit uit de genoemde arresten, wijst de Raad erop dat het in een zaak als de onderhavige, waarin intrekking en (mede)terugvordering van bijstand aan de orde is, niet gaat om een strafrechtelijke procedure, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zich niet tot appellanten uitstrekt.

3.6. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen mag worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens door de betrokkene ondertekende verklaring, tenzij sprake is geweest van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. De Raad heeft hiervoor in dit geval geen toereikende aanknopingspunten gevonden, temeer nu de verklaringen sporen met de overige onderzoeksbevindingen. De Raad stelt aan de hand van de gedingstukken vast dat de processen-verbaal van het verhoor van appellanten door de sociaal rechercheurs op ambtsbelofte zijn opgemaakt, dat de verklaring aan hen is voorgelezen en dat zij deze vervolgens (zonder voorbehoud) per bladzijde hebben ondertekend. Anders dan appellanten stellen is de Raad niet gebleken dat de verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd, onjuist zijn of om een andere reden buiten beschouwing moeten blijven. Dat appellante gedurende het verhoor haar verklaring heeft gewijzigd, biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake is geweest van ontoelaatbare druk. Deze afwijkende verklaring kan immers een gevolg zijn van de omstandigheid dat zij is geconfronteerd met de verklaring die appellant heeft afgelegd. Dat appellant tijdens het verhoor enige druk heeft gevoeld is aannemelijk. Appellant heeft ter zitting verklaard dat lichamelijke problemen hem parten hebben gespeeld, maar de Raad is op geen enkele wijze gebleken dat op appellant ontoelaatbare druk is uitgeoefend. De processen-verbaal van het verhoor bieden hiervoor geen aanknopingspunten en ook anderszins heeft de Raad daarvoor geen onderbouwing aangetroffen. Voorts is de Raad, anders dan appellante stelt, niet gebleken van omstandigheden die erop wijzen dat bij de verhoren van appellante sprake was van misleiding. Dat aan haar voorafgaande aan haar verklaringen zou zijn voorgehouden dat het onderzoek in de richting van een gezamenlijke huishouding wijst, is de Raad niet gebleken. Naar het oordeel van de Raad hebben de sociaal rechercheurs aan het einde van het tweede verhoor van appellante concluderend, en met het oog op de terugbetaling, vastgesteld dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, zodat van misleiding geen sprake is geweest. De Raad ziet in hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd geen aanleiding om de juistheid van de afgelegde verklaringen in twijfel te trekken.

3.7. De Raad volgt appellanten ook niet in hun stelling dat het College enkel rekening heeft gehouden met verklaringen die voor hen belastend waren. Uit het door appellante in beroep overgelegde medisch onderzoeksverslag van 14 december 2001 blijkt weliswaar dat zij tegenover een verzekeringsarts heeft verklaard dat zij een LAT-relatie heeft gehad en dat deze relatie voorbij was, maar hier staat tegenover dat appellant op 11 januari 2002 aan zijn werkgever het adres van appellante als zijn adres heeft doorgegeven.

3.8. Niet in geschil is dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door de gezamenlijke huishouding niet aan het College te melden. Ten gevolge hiervan heeft het College appellante over de periode in geding ten onrechte als zelfstandig rechtssubject bijstand verleend. Dit brengt mee dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de bijstand van appellante over de in geding zijnde periode in te trekken. Anders dan appellante stelt doet het feit dat haar indertijd met terugwerkende kracht bijstand is toegekend er niet aan af dat over de gehele periode in geding bijstand is verleend aan appellante, zodat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de over deze periode voor appellante gemaakte kosten van bijstand van haar terug te vorderen.

3.9. In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbenden de verplichting als bedoeld in artikel 17, van de WWB niet zijn nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden. Aangezien vaststaat dat appellant degene is met wiens middelen bij de aan appellante verleende bijstand rekening diende te worden gehouden, is het College tevens bevoegd deze kosten van bijstand op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB mede van hem terug te vorderen.

3.10. Appellanten hebben de wijze waarop het College gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheden tot terugvordering en medeterugvordering niet bestreden.

3.11. Het voorgaande betekent dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en E.J.M. Heijs en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD