Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3130

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
03-05-2011
Zaaknummer
09/2506 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2506 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 maart 2009, 08/6757 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Westendorp. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. Swart, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving bijstand sinds 8 juni 1999, aanvankelijk naar de norm voor gehuwden, en sinds 4 april 2005 naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).

1.2. In het kader van het project “Inhaalslag Intensivering Handhaving” heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: de afdeling) op grond van informatie van convenantpartner Eneco vastgesteld dat appellant naast een elektriciteitsaansluiting voor zijn woning ook een aansluiting op naam had staan voor het pand [naam straat] [vestigingsplaats] een vrijstaand bedrijfspand te midden van woningen. Nadat Eneco had vastgesteld dat in dit pand op gezette tijden grote hoeveelheden stroom werden afgenomen, is bij medewerkers van de afdeling het vermoeden gerezen dat daar een hennepkwekerij geëxploiteerd wordt. Op 18 februari 2008 hebben medewerkers van de afdeling, samen met medewerkers van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling van de gemeente ’s-Gravenhage, een medewerker van de bouw- en woningtoezicht van de gemeente Rijswijk, agenten van de politie Haaglanden en een medewerker van Eneco dit pand betreden. In de kelder werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Op de begane grond werden vele zakken met enkele duizenden stuks kleding aangetroffen, bestemd voor verkoop en voorzien van prijzen en antidiefstaltags. Voorts werd één vuilniszak gevonden met 4,6 kg henneptoppen, hetgeen een waarde vertegenwoordigt van enkele duizenden euro’s. Ten slotte werd een huurovereenkomst aangetroffen, ondertekend door appellant, volgens welke hij namens [naam bedrijf] het pand vanaf 1 oktober 2007 huurde voor een prijs van € 27.000,-- per jaar. Ook de vaste telefoon en de alarmopvolging van het pand bleken op naam van appellant te staan.

1.3. Naar aanleiding hiervan heeft het College appellant om inlichtingen verzocht en het recht op bijstand opgeschort, en vervolgens de bijstand met ingang van 1 maart 2008 ingetrokken op de grond dat gevraagde gegevens niet zijn verstrekt. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

1.4. De afdeling heeft naar aanleiding van de ontdekking van de hennepkwekerij en kleding een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Daarbij heeft de afdeling buurtonderzoek verricht bij de woning van appellant, registers geraadpleegd van de Rijksdienst voor het Wegverkeer en de Kamer van Koophandel en gegevens op het internet geraadpleegd. Voorts heeft de afdeling dossieronderzoek verricht en inlichtingen gevraagd bij nutsbedrijven en verhuurders. Bij dit onderzoek is gebleken dat appellant [naam ver[naam verhuurder] sinds 1 november 1998 bekend is als huurder van het pand [naam straat] De huurprijs bedroeg in maart 2008 € 2.144,97 per maand. [naam verhuurder] verklaarde dat appellant met hem een conflict heeft gehad over een reparatie en dat appellant toen een aantal maanden de huur niet heeft betaald. Voorts is gebleken dat in het laatstgenoemde pand gevestigd is een kledingwinkel, [naam kledingwinkel] Blijkens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel werd deze winkel gedreven door d[H.]nszaak van[H.]H]

1.5. Medewerkers van de afdeling hebben appellant gehoord op 20 maart 2008 en hem geconfronteerd met de bevindingen van het onderzoek. Appellant heeft een verklaring afgelegd, die door hem per pagina is ondertekend. Voor zover hier van belang heeft appellant verklaard dat hij [H.] helpt bij diens administratie en dat hij dat al 8 à 10 jaar doet. Hij houdt daartoe het kasboek bij en maakt de spullen klaar voor de accountant. Hij heeft voorts verklaard dat hij voor [H.] al 10 jaar tekenbevoegdheid heeft ten aanzien van de rekeningen, en dat hij wel eens een overeenkomst is aangegaan voor [H.] met een bank over automatische betaling. Voor de werkzaamheden voor [H.] heeft hij geen betaling ontvangen. Appellant heeft verklaard dat hij voornemens is geweest het pand Goeverneurplein 1 als boetiek te exploiteren. In dat pand heeft [H.] later een winkel genaamd Bo Fashion geëxploiteerd. De elektriciteitsaansluiting voor dat adres heeft enige tijd op naam van appellant gestaan. Appellant heeft daarover verklaard niet te weten hoe lang deze op zijn naam heeft gestaan en dat hij die aansluiting te lang op zijn naam heeft laten staan. Over de aangetroffen kleding heeft appellant verklaard dat die aan [H.] toebehoort, dat die afkomstig is uit een andere winkel van [H.] en dat appellant van plan was deze kleding zelfstandig te gaan verkopen.

1.6. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek van de afdeling heeft het College bij besluit van 21 mei 2008 de bijstand van appellant herzien (lees: ingetrokken) vanaf 8 juni 1999 tot en met 28 februari 2008 op de grond dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden ten aanzien van het huren van panden, de betrokkenheid bij een hennepkwekerij en een uitgavenpatroon dat zich niet laat verenigen met inkomsten uit bijstand. Voorts heeft het College bij dat besluit een bedrag van € 123.782,47 als te veel betaalde bijstand van appellant teruggevorderd.

1.7. Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft het College - voor zover hier van belang - het bezwaar tegen het besluit van 21 mei 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - naar de Raad met partijen begrijpt - het beroep tegen het besluit van 4 augustus 2008 ongegrond verklaard, voor zover bij dat besluit het bezwaar tegen het besluit van 21 mei 2008 ongegrond was verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij zijn beroep ongegrond is verklaard. Appellant bestrijdt het besluit van 4 augustus 2008 niet voor zover dat betrekking heeft op de intrekking en terugvordering vanaf 1 oktober 2007. Hij betoogt echter dat hij in de daaraan voorafgaande periode zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Het College was immers op de hoogte van zijn activiteiten als vrijwilliger en moedigde dat zelfs aan. Hij ontving voor zijn activiteiten geen beloning. Hij was ook niet de echte huurder van de bedrijfspanden. Hij heeft daartoe onder meer een beroep gedaan op de verklaring van [H.], die in beroep als getuige is gehoord.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de tekst van de overige relevante wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.2. Bij het onder 1.4 en 1.5 genoemde onderzoek is een samenstel van feiten aan het licht gekomen dat wijst op de betrokkenheid van appellant bij de winkelbedrijven van [H.]. Het betreft de huur- en elektriciteitscontracten op naam van appellant, zijn activiteiten als boekhouder voor [H.], zijn optreden voor [H.] als vertegenwoordiger en tekeningsbevoegde, er ten slotte in uitmondend dat hij een zeer grote hoeveelheid kleding van [H.] heeft opgeslagen in een door appellant gehuurd bedrijfspand om daarmee een kledingzaak te beginnen. [H.] heeft als getuige deze betrokkenheid van appellant bevestigd. Zo heeft [H.] verklaard dat hij nooit een huurovereenkomst heeft getekend van het pand Betje Wolffstraat 181, dat beslag is gelegd op de rekening van appellant toen de huur niet betaald werd en dat appellant contacten had met de verhuurder. [H.] heeft als getuige ook nog verklaard dat appellant hem hielp met het papierwerk voor de belastingen en met verzekeringen. Met het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit samenstel van feiten en activiteiten het verrichten van vrijwilligerswerk of een vriendendienst ver overstijgt, reeds gelet op de bedragen en de aansprakelijkheden die met die overeenkomsten gemoeid waren, en daarom gekwalificeerd moet worden als op geld waardeerbare arbeid. Appellant heeft van dit samenstel van feiten geen mededeling gedaan aan het College. Dit leidt tot de conclusie dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden gedurende de hele periode in geding.

4.3. Het betoog van appellant, met verwijzing naar de verklaring van [H.] als getuige, dat hij voor de activiteiten voor [H.] geen enkele beloning heeft ontvangen, kan hem niet baten. Nu het gaat om op geld waardeerbare activiteiten, had appellant daarvoor, nu hij bijstand ontving, een beloning moeten bedingen om zoveel mogelijk in eigen onderhoud te kunnen voorzien. Appellant heeft echter omtrent de omvang en de duur van de activiteiten voor [H.] geen onderbouwde stellingen naar voren gebracht. Daarom is de Raad met het College en de rechtbank van oordeel dat het recht op bijstand van appellant in de periode in geding niet is vast te stellen.

4.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat, anders dan appellant heeft aangevoerd, de rechtbank in de getuigenverklaring van [H.] terecht geen aanleiding heeft gezien om tot een andere uitkomst te komen. De daarop gerichte grief van appellant faalt dus. De Raad heeft gelet hierop ook geen aanleiding gezien om [H.] opnieuw als getuige te horen.

4.5. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen voert tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2011.

(get.) C. van Viegen

(get.) J. van Dam

EW