Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3122

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2011
Datum publicatie
03-05-2011
Zaaknummer
09-2227 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. Geneeskundige zorg, mede gelet op artikel 2.4 tot en met 2.6 van het Besluit zorgverzekeringen, behoort tot het zorgpakket van de Zvw. In gevallen waarin deze zorg, als zijnde niet noodzakelijk, niet behoort tot de prestaties die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen, staat het bepaalde in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB aan bijstandsverlening in de weg. Met het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet. De Raad is van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op basis van een medische indicatie is gaan sporten in een sportschool. De kosten van de sportschool worden niet als noodzakelijk aangemerkt. Dit betekent tevens dat de reiskosten van appellante om de sportschool te bezoeken in haar omstandigheden niet als noodzakelijk kunnen worden aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 15
Wet werk en bijstand 16
Wet werk en bijstand 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2227 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Ap[pellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 maart 2009, 08/1916 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Raalte (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2011. Namens appellante is haar vader, [H.K.] verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.J.M. Pouw en B. Bolink, beiden werkzaam bij de gemeente Raalte.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft vanaf 1 februari 2008 algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ontvangen.

1.2. In maart 2008 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten, die aan haar in rekening zijn gebracht door de arts voor natuurgeneeswijze en psychosynthese H.R.M. Huige (€ 75,--), de spiritueel hulpverlener Animitta Albers (€ 294,75) en PMS-deskundige E. Engels (€ 255,--). Tevens heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van het abonnement bij [naam sportschool] in [woonplaats] van € 46,50 per maand en de reiskosten verbonden aan het bezoek van deze sportschool. Bij besluit van 16 juni 2008, voor zover hier van belang, heeft het College aan appellante € 252,-- aan bijzondere bijstand toegekend voor de sportkosten van [naam sportschool] (het maximale bedrag dat het College in 2008 verstrekt aan bijzondere bijstand voor sportkosten) en afwijzend beslist op het verzoek om bijzondere bijstand voor de overige door appellante gemaakte kosten. Bij besluit van 9 oktober 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 16 juni 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De kosten van alternatieve medische behandelingen.

4.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening, die gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient voor de kosten van medische zorg de Zvw in beginsel als een aan de WWB voorliggende toereikende en passende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de WWB te worden beschouwd. Tussen partijen is niet in geschil dat de behandelingen van appellante door de arts voor natuurgeneeswijze en psychosynthese Huige, de spiritueel hulpverlener Albers en PMS-deskundige Engels gerekend kunnen worden tot de medische zorg. De Raad stelt vast dat geneeskundige zorg, mede gelet op artikel 2.4 tot en met 2.6 van het Besluit zorgverzekeringen, behoort tot het zorgpakket van de Zvw. In gevallen waarin deze zorg, als zijnde niet noodzakelijk, niet behoort tot de prestaties die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen, staat het bepaalde in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB aan bijstandsverlening in de weg. Met het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet. De Raad wijst er in dit verband op dat artikel 2.4, eerste lid, van het Besluit zorgverzekeringen, voor zover hier van belang, bepaalt dat geneeskundige zorg de zorg omvat zoals huisartsen, medisch specialisten, klinisch-psychologen en verloskundigen die plegen te bieden en dat alternatieve geneeskundige behandelingen niet door de zojuist genoemde medische zorgverlener plegen te worden geboden. De Raad is van oordeel dat hiermee een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van het vergoeden van de kosten van alternatieve geneeskundige behandelingen. Dit betekent dat de Raad niet toekomt aan een beoordeling van de door appellant gestelde medische noodzaak van de alternatieve geneeskundige behandelingen waarvoor zij bijzondere bijstand heeft aangevraagd. Dat onder bepaalde voorwaarden wel aanspraak gemaakt kan worden op een (gedeeltelijke) vergoeding op grond van een aanvullende ziektekostenverzekering maakt dit niet anders.

4.3. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad evenals de rechtbank geen grond voor het oordeel dat sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB om af te wijken van artikel 15, eerste lid, van de WWB. De omstandigheid dat, zoals appellante stelt, de onderhavige kosten van de alternatieve behandelingen vermeden hadden kunnen worden als het College met de nodige voortvarendheid medisch onderzoek had laten verrichten en niet had gewacht tot medio 2008, kan niet leiden tot het oordeel dat sprake is van zeer dringende reden als hiervoor bedoeld. De Raad merkt nog op dat de medische onderzoeken medio 2008 uitsluitend gericht waren op het in kaart brengen van de arbeidsmogelijkheden van appellante. Voorts lag het niet op de weg van het College om vast te stellen of appellante beroep had kunnen doen, zoals zij nadien heeft gedaan, op medische zorg die op grond van de Zvw of de AWBZ voor vergoeding in aanmerking komt.

De kosten van [naam sportschool].

4.4. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en de kosten niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, het vermogen en het inkomen, voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.5. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient het bijstandverlenend orgaan bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB eerst te beoordelen of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de toepasselijke bijstandsnorm, op welk punt het bijstandverlenend orgaan ingevolge genoemde bepaling een zekere beoordelingsvrijheid heeft.

4.6. Appellante heeft aangevoerd dat zij op advies van haar gynaecoloog, haar huisarts en de PMS-deskundige is gaan sporten en dat zij heeft gekozen voor [naam sportschool] in [woonplaats] omdat de mogelijkheden bij die sportschool groter zijn dan bij een sportschool in Raalte. Bovendien zou zij in een sportschool in Raalte veel bekenden tegenkomen, hetgeen zij niet kan verdragen en haar herstel niet ten goede zou komen. De Raad is van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op basis van een medische indicatie is gaan sporten in een sportschool. Een daartoe strekkende verklaring van (een van de) behandelend artsen van appellante ontbreekt. Uit de in hoger beroep ingebrachte brief van behandelend gynaecoloog dr. P.J.Q. van der Linden van 20 maart 2006 blijkt niet of het voor appellante noodzakelijk is te sporten in een sportschool. Derhalve kunnen de kosten van [naam sportschool] in [woonplaats] in het geval van appellante niet als noodzakelijk worden aangemerkt. Dit betekent tevens dat de reiskosten van appellante om de sportschool in [woonplaats] te bezoeken in haar omstandigheden niet als noodzakelijk kunnen worden aangemerkt. De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat het College terecht heeft geweigerd om voor deze kosten, voor zover die op jaarbasis in 2008 meer bedroegen dan € 252,--, bijzondere bijstand toe te kennen.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

RB