Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
03-05-2011
Zaaknummer
08-4673 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Aanvraag om indicatie voor zorg is onbevoegd gedaan door een arts van het GGZ-centrum. Vernietiging bestreden besluit. Aangezien appellant heeft aangegeven dat gebruik is gemaakt van de indicatie en deze in zijn geheel genomen niet ontoereikend is gebleken, worden de rechtsgevolgen in stand gelaten.

Wetsverwijzingen
Zorgindicatiebesluit
Zorgindicatiebesluit 5
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/219
GJ 2011/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4673 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

[Appellant] wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2008, 07/668 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ)

Het geding is behandeld op de zitting van 2 maart 2011. Appellant is verschenen en bijgestaan door zijn dochter [naam dochter] CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Baggerman en mr. L.M.R. Kater.

1. Op 20 april 2006 heeft J.H. van der Sluis, als arts verbonden aan het GGZ-centrum de Riethorst te Ede, CIZ verzocht appellant te indiceren voor zorg. Bij besluit van 17 mei 2006 heeft CIZ appellant op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten over de periode van 17 mei 2006 tot en 17 mei 2011 geïndiceerd voor:-

ondersteunende begeleiding algemeen, voor 10 tot 12,9 uur per week (klasse 5);-

persoonlijke verzorging, voor 13 tot 15,9 uur per week (klasse 6);

verpleging, voor 2 tot 3,9 uur per week (klasse 2);-

behandeling-verblijf;

verblijf langdurig, voor zeven etmalen per week.

2. Bij besluit van 2 juli 2007 heeft CIZ het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 mei 2006 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 2 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat uit het Zorgindicatiebesluit volgt dat CIZ de aanvraag van Van der Sluijs in de gegeven omstandigheden niet in behandeling had mogen nemen; in ieder geval niet zonder overleg met zijn dochter die hij verschillende malen schriftelijk heeft gemachtigd om zijn belangen in het kader van de zorgverlening te behartigen. Artikel 5, derde lid, van het Zorgindicatiebesluit luidt: “Indien de aanvraag door een vertegenwoordiger van de zorgvrager wordt gedaan, wordt nagegaan wat de reden daarvan is en wordt die reden schriftelijk vermeld.”

4. In de nota van toelichting op het Zorgindicatiebesluit (Stb.1997, 447) is hierover het volgende opgenomen:“Een aanvraag kan worden ingediend door de persoon op wie die aanvraag betrekking heeft of door een derde die daartoe door de zorgvrager gemachtigd is dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger is. Dat laatste zal voorkomen, indien de aanvrager niet in staat is zelf de aanvraag in te dienen. Ondertekent de derde de aanvraag, dan zullen op grond van het tweede lid de redenen waarom de aanvrager niet zelf tekent, moeten worden vermeld. Wil voorkomen worden dat personen voor een onderzoek tegen hun wil benaderd worden door of namens het indicatieorgaan, dan zal nagegaan zal moeten worden of de derde inderdaad bevoegd is de aanvraag te ondertekenen.”

5. De Raad stelt vast dat uit het Zorgindicatiebesluit, alsook uit het systeem van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), volgt dat een aanvraag door de belanghebbende of diens vertegenwoordiger wordt gedaan. Het is de Raad niet gebleken dat Van der Sluijs bevoegd was de aanvraag namens appellant in te dienen. Gelet op artikel 5, derde lid, van het Zorgindicatiebesluit had het in ieder geval op de weg van CIZ gelegen zich van diens bevoegdheid nader te vergewissen. Indien - zoals Van der Sluijs stelt - appellant buiten staat was zijn belangen te behartigen had het in de gegeven omstandigheden in ieder geval op de weg van CIZ gelegen bij de behandeling van de aanvraag van Van der Sluijs in overleg te treden met de dochter van appellant. Gelet op de gedingstukken trad de dochter van appellant in diens relatie met CIZ reeds geruime tijd op als tussenpersoon. Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 2 juli 2007 wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en artikel 5, derde lid, van het Zorgindicatiebesluit voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten. Gelet op het feit dat appellant ter zitting van de Raad heeft aangegeven dat - inmiddels - gebruik is gemaakt van de indicatie en deze in zijn geheel genomen niet ontoereikend is gebleken, ziet de Raad aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand te laten.

De beslissing luidt als volgt:

- Vernietigt de aangevallen uitspraak;

- Verklaart het beroep gegrond;

- Vernietigt het besluit van 2 juli 2007;

- De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 2 juli 2007 blijven geheel in stand;

- CIZ wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep

tot een bedrag van in totaal € 689,44;

- CIZ dient het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 146,-- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD