Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3002

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2011
Datum publicatie
29-04-2011
Zaaknummer
10-4882 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake van een weigering om op grond van artikel 18, derde lid, van de WWB een besluit te nemen, gelet op het feit dat de maatregel voor niet langer dan drie maanden is opgelegd en er geen verzoek is gedaan om een besluit te nemen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/178
JWWB 2011/133
USZ 2011/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4882 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 juli 2010, 09/3735 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Klaas. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 27 februari 2007 heeft het College de bijstand van appellante ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 1 maart 2007 voor de duur van drie maanden met 100% verlaagd omdat appellante heeft geweigerd gebruik te maken van de aan haar in het kader van de arbeidsinschakeling aangeboden voorziening bij Paswerk.

1.2. Bij brief van 6 oktober 2008 heeft appellante het College verzocht haar het besluit inzake de heroverweging ingevolge artikel 18, derde lid, van de WWB van de opgelegde maatregel toe te sturen.

1.3. Bij brief van 29 oktober 2008 heeft het College meegedeeld dat een dergelijk besluit niet is genomen en daarom ook niet kan worden toegezonden.

1.4. Bij brief van 4 november 2008 heeft appellante bezwaar gemaakt omdat het College zou hebben geweigerd om een besluit als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de WWB te nemen. Volgens appellante is het College verplicht om uiterlijk binnen drie maanden na de datum van de beschikking te beoordelen of de omstandigheden en het gedrag van appellante aanleiding geven om het besluit inzake de opgelegde maatregel te herzien.

1.5. Het College heeft het bezwaar bij besluit van 24 juni 2009 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een weigering om op grond van artikel 18, derde lid, van de WWB een besluit te nemen, gelet op het feit dat de maatregel voor niet langer dan drie maanden is opgelegd en er geen verzoek is gedaan om een besluit te nemen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 24 juni 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat het College een besluit tot heroverweging van het (maatregel)besluit van 27 februari 2007 had dienen te nemen. Door dit achterwege te laten heeft het College volgens appellante gehandeld in strijd met de wet.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB.

4.2. Artikel 18, derde lid, van de WWB bepaalt dat het College een verlaging van bijstand als bedoeld in het tweede lid heroverweegt binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.

4.3. Artikel 7, derde lid, laatste volzin, van de op artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB berustende en door de raad van de gemeente Haarlem (hierna: gemeenteraad) vastgestelde Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand (hierna: verordening) bepaalt dat een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd, wordt heroverwogen.

4.4. De Raad stelt - ambtshalve - vast dat aldus door de gemeenteraad in de verordening regels zijn gesteld met betrekking tot de uitoefening van de in artikel 18, derde lid, van de WWB aan het College toegekende bevoegdheid om een termijn te bepalen waarbinnen het College een opgelegde maatregel heroverweegt. Daarmee heeft de gemeenteraad de in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB aan hem toegekende verordenende bevoegdheid overschreden. Dit betekent dat artikel 7, derde lid, laatste volzin, van de verordening verbindende kracht mist. Gelet op het feit dat de verordening is vastgesteld op voorstel van het College, ziet de Raad aanleiding voornoemde bepaling en de daarbij behorende toelichting te beschouwen als de verwoording van - (nog) niet in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegd - beleid van het College ter invulling van de in artikel 18, derde lid, van de WWB aan het College toegekende discretionaire bevoegdheid om een termijn te bepalen, die ten hoogste drie maanden bedraagt.

4.5. De Raad heeft in zijn uitspraak van 14 maart 2011, LJN BP6843, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van de WWB, overwogen dat een maatregel ingevolge artikel 18, tweede lid, van deze wet is bedoeld als middel tot gedragsbeïnvloeding van de bijstandontvanger en dus als prikkel voor deze om zijn gedrag bij te stellen in de door het bestuursorgaan - dat is belast met de uitvoering van de WWB - gewenste richting. De Raad leidt verder uit de geschiedenis van de totstandkoming van de WWB af dat de strekking van de in artikel 18, derde lid, van deze wet neergelegde verplichting tot heroverweging is om - bij verlaging van de bijstand over een periode van langer dan drie maanden - tussentijds te kunnen inspelen op door die maatregel opgetreden veranderingen in gedrag of omstandigheden van de bijstandontvanger (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 870, nr.13, blz. 37). Naar het oordeel van de Raad is het door het College gevoerde beleid daarmee niet in strijd. Het betoog van appellante dat het bestuursorgaan zou zijn gehouden elke opgelegde maatregel als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, ongeacht zwaarte en duur, te heroverwegen volgt de Raad niet. Nog daargelaten dat een dergelijke opvatting onevenredig zware bestuurslasten zou meebrengen, zijn voor dat standpunt in de wetsgeschiedenis van de WWB geen aanknopingspunten te vinden. Het een en ander laat overigens onverlet dat het een belanghebbende vrijstaat zelf bij het bestuursorgaan om heroverweging van een opgelegde maatregel te verzoeken. Op een dergelijk verzoek dient het bestuursorgaan een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit te nemen. De heroverweging behelst overigens geen integrale heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb, ten aanzien van de eerder opgelegde maatregel, maar een meer beperkte heroverweging met als doel vast te stellen of de belanghebbende tussentijds blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde maatregel in zwaarte of duur bij te stellen. Daarbij gaat het, zoals de Raad al eerder heeft overwogen, om gedragsveranderingen of wijzigingen gelegen binnen de periode waarover de maatregel zich uitstrekt te rekenen vanaf het opleggen van de maatregel (vergelijk de uitspraak van 29 juni 2010, LJN BN1383).

4.6. Aangezien de onderhavige maatregel in duur beperkt was tot drie maanden, en door appellante niet is verzocht om heroverweging van de opgelegde maatregel, was het College niet gehouden een besluit tot heroverweging als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de WWB te nemen.

4.7. Gelet op het voorgaande treft het hoger beroep van appellante geen doel. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd. Voor een veroordeling tot vergoeding van schade bestaat dan ook geen ruimte.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) C. de Blaeij.

HD