Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2762

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
10-42 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Geen reden om te twijfelen aan de door de bezwaarverzekeringsarts na zorgvuldige afweging getrokken conclusie. Geen andersluidende medische gegevens in geding gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/42 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 25 november 2009, 09/3 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. van der Wielen, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. G.J. van Dijk, als opvolgend gemachtigde, en M. Aydin als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontvangt sinds 26 oktober 2002 in verband met beperkingen als gevolg van arm-, nek- en hoofdpijnklachten een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Na een herbeoordeling is de indeling in deze arbeidsongeschiktheidsklasse per 6 maart 2007 gehandhaafd.

1.2. Appellante heeft zich op 29 april 2008 in verband met een toename van pijn in de nek en hoofdpijn ziek gemeld.

2. Bij besluit van 3 november 2008 is aan appellante meegedeeld dat zij per 29 april 2008 geen recht heeft op uitkering ingevolge de Ziektewet, omdat zij op en na deze datum niet ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid, zijnde de eerder per 6 maart 2007 voor haar geselecteerde functies.

3. Bij besluit van 25 november 2008 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 november 2008 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij onder meer overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage alle voor handen zijnde medische informatie, ook de informatie van de behandelend neuroloog A.G.M. Borggreve en van een Turkse neuroloog, heeft meegewogen bij zijn beoordeling en heeft gemotiveerd waarom appellante nog steeds geschikt is voor fysiek niet al te zware arbeid.

5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft in grote lijnen de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Zoals de rechtbank heeft overwogen heeft de bezwaarverzekeringsarts kennis genomen van de door de behandelend sector verstrekte informatie. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarover in zijn rapport van 25 november 2008 opgemerkt dat de neuroloog in zijn brief van 29 oktober 2008 aangeeft dat hij kennis heeft genomen van de MRI van de cervicale wervelkolom zoals deze in Turkije is gemaakt. De neuroloog geeft daarbij aan, aldus de bezwaarverzekeringsarts, dat geen sprake is van een HNP, maar van een lichte bulging. Naar aanleiding van de door appellante in beroep nog ingebrachte informatie van neuroloog dr. Enis Erdem heeft de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat er in Turkije blijkbaar geen grote afwijkingen ten opzichte van normaal zijn gevonden. Ook het feit dat appellante nog niet is geopereerd wijst er volgens de bezwaarverzekeringsarts niet op dat er moet worden uitgegaan van een ulnaropathie.

5.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt voor de Raad geen reden om te twijfelen aan de door de bezwaarverzekeringsarts na zorgvuldige afweging getrokken conclusie. Dat de behandelend fysiotherapeut bij nader inzien van mening was dat appellante op 8 mei 2008 niet klachtenvrij was, impliceert niet dat de bezwaarverzekeringsarts de belastbaarheid van appellante ten tijde in geding niet juist heeft beoordeeld. De bij brief van 16 februari 2011 nog overgelegde rapportage betreft een opname op 4 augustus 2010 in een ziekenhuis te Samsun in Turkije. In de op 2 maart 2011 overgelegde brief van 12 januari 2011 van de behandelend neurloog dr. P.J.A.M. Brouwers wordt de in Turkije vervaardigde MRI van de cervicale wervelkolom besproken. Daarbij maakt deze specialist de opmerking dat patiƫnte slechts rest haar bezigheden te beperken tot datgene wat de nek aankan. Naar het oordeel van de Raad werpt deze informatie geen ander licht op de medische toestand van appellante ten tijde in geding. De Raad ziet daarin dan ook geen reden voor ander oordeel dan dat van de rechtbank dan wel voor een nader medisch onderzoek.

6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen grond voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Mostert.

EK