Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2757

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
10-985 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ZW-uitkering. Medisch onderzoek is zorgvuldig geweest. Overtuigend gemotiveerd dat de problemen die appellante ondervindt bij het lopen en staan geen beletsel kunnen vormen om haar werk te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/985 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 december 2009, 08/2011 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat te Soest, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2011.

Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visch.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was van 1 mei 2006 tot 5 januari 2007 voor 20 uur per week als produktiemedewerkster in dienst van [werkgever] te [vestigingsplaats]. Bij deze werkgever was zij belast met het plakken van stickers op pakketjes en het ompakken van dozen. Appellante heeft zich op 23 augustus 2006 wegens klachten in verband met hoge bloeddruk, hoofdpijn en een bijholteontsteking ziek gemeld.

2. Bij besluit van 6 maart 2008 is aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 13 maart 2008 geen recht meer heeft op uitkering ingevolge de Ziektewet, omdat zij op en na deze datum niet meer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid.

3. Bij besluit van 27 mei 2008 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 maart 2008 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank achtte het onderzoek door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts niet onzorgvuldig of onvolledig en zag geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van deze artsen. De rechtbank heeft daarbij – onder meer – overwogen dat een arbeidsdeskundige een onderzoek heeft ingesteld naar de belasting in het werk van appellante en dat de verzekeringsartsen voldoende hebben gemotiveerd dat deze belasting de belastbaarheid van appelante niet overschrijdt.

5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.

5.2. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts zorgvuldig is geweest. Appellante is meerdere keren op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, laatstelijk op 6 maart 2008, en ook de bezwaarverzekeringsarts heeft appellante op het spreekuur gezien. De bezwaarverzekeringsarts heeft in een commentaar van 4 juni 2008 uiteengezet dat de door de KNO-arts alsnog bij brief van 26 mei 2008 verstrekte informatie geen grond oplevert voor een wijziging van het eerder ingenomen standpunt.

5.3. De bezwaarverzekeringsarts heeft naar het oordeel van de Raad verder overtuigend gemotiveerd dat de problemen die appellante ondervindt bij het lopen en staan geen beletsel kunnen vormen om haar werk te verrichten, omdat dit werk, gelet op de arbeidskundige rapportage van 30 maart 2007, naar eigen inzicht zittend en staand kon worden uitgevoerd.

5.4. Het standpunt van appellante dat zij meer beperkingen ondervindt dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangenomen, is niet met medische gegevens onderbouwd. De door appellante in hoger beroep opnieuw aan de orde gestelde medische problematiek is reeds door de bezwaarverzekeringsarts beoordeeld. De Raad ziet in hetgeen appellante in dit verband heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat haar medische toestand ten tijde in geding onjuist is beoordeeld.

6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen grond voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Mostert.

EK