Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2755

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
10-2030 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAJONG-uitkering. Geen nieuwe medische stukken in het geding gebracht die twijfels doen rijzen aan de juistheid van het medische standpunt van het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2030 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 maart 2010, 09/3112 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J. Visser, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van 17 mei 2010 van een bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A. Adriaanse, kantoorgenoot van mr. Visser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontving sedert 29 november 2001 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) wegens sinds haar jeugd bestaande cardiale problematiek. Appellante is bekend met het Wolff-Parkinson-White-syndroom (hierna: WPW-syndroom). Ingaande 17 november 2005 heeft het Uwv de Wajong-uitkering van appellante ingetrokken, omdat appellante minder dan 25% arbeidsongeschikt is. De juistheid van deze intrekking is in rechte vast komen te staan.

1.2. Appellante heeft zich met ingang van 26 januari 2009 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Zij heeft daarbij aangegeven dat er sprake is van een verslechtering van haar gezondheidstoestand in verband met het WPW-syndroom. Naar aanleiding van deze melding is appellante onderzocht door een verzekeringsarts. In zijn rapport van

9 maart 2009 heeft de verzekeringsarts aangegeven dat appellante weliswaar toegenomen klachten ervaart in relatie tot spanningen gerelateerd aan de arbeidsre-integratie, maar dat hij deze niet zodanig acht dat op grond daarvan toegenomen arbeidsbeperkingen van toepassing zijn. De beperkingen zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 augustus 2005, opgemaakt bij de laatstelijk verrichte beoordeling, zijn onverminderd van kracht. Ingewonnen informatie bij de behandelend cardioloog dr. H.F. Baars heeft de verzekeringsarts geen aanleiding gegeven een ander standpunt in te nemen ten aanzien van de belastbaarheid van appellante. Bij besluit van 30 maart 2009 heeft het Uwv daarop geweigerd appellante ingaande 23 februari 2009 een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat zij niet toegenomen arbeidsongeschikt is.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 7 juli 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 maart 2009 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op een rapport van een bezwaarverzekeringsarts.

2.1. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Onder verwijzing naar rapporten van Max Ernst GGZ van 13 juli 2009 en 30 november 2009 en een door Frame opgestelde verzekeringsgeneeskundige verklaring heeft appellante betoogd zwaarder beperkt te zijn dan is vastgesteld door het Uwv. Zij stelt zich op het standpunt dat een urenbeperking geïndiceerd is.

2.2. Het Uwv heeft de rechtbank onder toezending van een tweetal rapporten van bezwaarverzekeringsarts P.M.A. Lezaire bericht dat de ingebrachte rapporten geen aanleiding geven de FML aan te passen.

2.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op goede gronden geweigerd aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen op de grond dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Zij heeft daartoe overwogen dat de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Nu er geen sprake is van toegenomen medische beperkingen, wordt naar het oordeel van de rechtbank niet toegekomen aan een beoordeling van de arbeidskundige aspecten van de schatting en de daartegen gerichte beroepsgronden.

De rechtbank heeft geen reden gezien om een deskundige te benoemen.

3. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat haar beperkingen ten opzichte van de laatstelijk verrichte beoordeling in 2005 zijn toegenomen. Naar de mening van appellante bevestigt de medische verklaring van haar cardioloog een verslechtering van haar gezondheidstoestand in verband met het WPW-syndroom. Uit de rapporten van Max Ernst GGZ en Frame blijkt naar de mening van appellante voorts dat er ten tijde in geding reeds sprake was van een ‘paniekstoornis met agorafobie’ en dat er een urenbeperking is aangewezen van 4 uur per dag en 20 uur per week.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad heeft in hetgeen appellante in hoger beroep ter zake van haar medische belastbaarheid heeft gesteld geen grond gevonden om aan te nemen dat zij op de datum in geding meer beperkt is te achten dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen. De Raad overweegt daartoe dat de verzekeringsartsen rekening hebben gehouden met de cardiologische klachten van appellante. Zij hebben op grond van eigen onderzoek en weging van medische informatie van de behandelend cardioloog vastgesteld dat de geclaimde verslechtering van appellantes gezondheidstoestand in verband met het WPW-syndroom niet blijkt uit het klachtenpatroon en het ongewijzigd beleid van de cardioloog. De subjectieve beleving van appellante dat haar klachten zijn toegenomen vormt volgens de verzekeringsartsen onvoldoende grond om verdergaande beperkingen vast te stellen. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat met de psychische problematiek van appellante afdoende rekening is gehouden in de FML. Daargelaten de vraag of er ten tijde in geding bij appellante reeds sprake was van een paniekstoornis met agorafobie, zijn er - zo stelt de bezwaarverzekeringsarts - in de FML beperkingen vastgesteld op grond van de diagnose ‘spanningsklachten’ waarmee ruimschoots tegemoet gekomen wordt aan de klachten van appellante, ook op basis van de diagnose paniekstoornis. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapport van 11 februari 2010 voorts beargumenteerd waarom appellante niet voldoet aan de criteria vermeld in de Standaard verminderde arbeidsduur. De bezwaarverzekeringsarts deelt niet het standpunt van de voor Frame werkzame arts H. van Eijnsbergen dat er op preventieve gronden reden is voor een urenbeperking van 20 uur per week. De bezwaarverzekeringsarts overwoog daartoe dat een onderbouwing daarvoor ontbreekt, het door Frame verrichte onderzoek een ander beoordelingskader kent en met de in de FML opgenomen beperkingen in voldoende mate tegemoet wordt gekomen aan het door appellante geclaimd onvermogen, waarmee de kans op overbelasting voldoende wordt voorkomen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische stukken in het geding gebracht die twijfels doen rijzen aan de juistheid van het medische standpunt van het Uwv. De Raad ziet om deze reden geen aanleiding een onafhankelijke deskundige te benoemen.

4.2. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) P. Boer.

NK