Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2753

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
10-1652 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen twijfel over de juistheid van de FML. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1652 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudig kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 februari 2010, 09/601 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D. G├╝rses, advocaat te Utrecht, als zijn gemachtigde. Als tolk is meegekomen T. Cetinkaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1. Op de aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 17 juli 2008 afwijzend beslist, omdat appellant per 17 september 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt is voor het verrichten van werkzaamheden in passende functies zonder verlies aan verdiencapaciteit. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte besluit is bij besluit van 14 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald - zakelijk weergegeven - dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat hij daarom niet in staat is de hem voorgehouden functies te vervullen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Ook de Raad is uit het geheel van de voorliggende medische gegevens niet gebleken dat de artsen van het Uwv bij de vaststelling van de beperkingen, neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 7 juli 2008, onvoldoende rekening hebben gehouden met het bij appellant geconstateerde carpaal tunnel syndroom, de (milde) chronische aanpassingsstoornis en de varicesproblemen en de gevolgen die deze klachten hebben voor de belastbaarheid van appellant. Met betrekking tot de door appellant aangevoerde psychische klachten merkt de Raad nog op dat appellant ter zitting heeft bevestigd dat ten tijde in geding hij voor deze klachten niet onder behandeling was. Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep medische gegevens in het geding gebracht, die twijfel doen rijzen over de juistheid van de FML ten tijde hier in geding. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad voor het raadplegen van een deskundige, zoals door appellant is verzocht, geen aanleiding ziet.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de diverse rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundige, daarvan in het bijzonder het rapport van 21 april 2010, waarin is ingegaan op de in hoger beroep aangevoerde arbeidskundige gronden, welke rapporten een deugdelijke arbeidskundige onderbouwing bevatten, is ook de Raad van oordeel dat een als genoegzaam aan te merken motivering is gegeven van de geschiktheid van de geselecteerde functies.

4.3. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR