Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2742

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
09-4823 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ziekengeld ingevolge de ZW. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake omdat betrokkene geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA. Juistheid onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4823 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 augustus 2009, 08/9077 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2011. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. de Rooij-Bal.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, laatstelijk werkzaam in de functie van medewerkster in een visfabriek, heeft zich per 1 september 2004 ziek gemeld met diverse pijnklachten. Het Uwv heeft appellante bij besluit van 5 oktober 2006 meegedeeld dat zij geen uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan krijgen. Aan dit besluit ligt ten grondslag een rapportage van de arbeidsdeskundige J. Noort van 26 september 2006 waarin is aangegeven dat appellante voor – onder meer – de functies van Algemeen medewerker, inpakker dekbedden en stikster zitmeubelen geschikt kan worden geacht. Appellante heeft zich vervolgens twee maal vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens pijn aan de rechter schouder en rugklachten, voor het laatst op 22 augustus 2007.

2. Bij besluit van 25 juni 2008 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij met ingang van 1 juli 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld.

3. Bij besluit van 16 juli 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 juni 2008 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA.

5.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 25 juni 2008 geen duidelijke beperkingen van de rechterschouder zijn vastgesteld. Ook de opgevraagde informatie van de arts-assistent orthopedie C.M. Fortanier van 6 mei 2008 – waaruit blijkt dat appellante ondanks de pijnklachten een vrijwel volledige functie van de rechterschouder heeft – komt met deze bevindingen overeen.

5.3. De bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker heeft het dossier bestudeerd, appellante op het spreekuur van 16 juli 2008 lichamelijk en psychisch onderzocht en bij de beoordeling alle in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector meegewogen. Ten aanzien van de meest recente informatie van de orthopedisch chirurg S.B. Keizer van 26 mei 2008 heeft Blanker overwogen dat het besluit om te opereren weliswaar inhoudt dat de klachten zijn gepersisteerd, maar dat uit deze informatie niet blijkt dat appellante niet geschikt kan worden geacht voor de eerder geduide functies. Uit de functiebelasting van de geduide functies blijkt dat bijvoorbeeld de arbeid in de functie van montagemedewerker een lage belasting van de armen kent. Er behoeft nauwelijks getild of gedragen te worden en ook voor het overige is er geen sprake van armbelasting die boven de belastbaarheid van appellante uitgaat, hetgeen ook voor de nek- en rugbelasting geldt. De functie kent volgens de bezwaarverzekeringsarts Blanker dan ook een dusdanig lage belasting dat deze ruim binnen de mogelijkheden van appellante ligt.

5.4. De Raad acht de motivering van de bezwaarverzekeringsarts voldoende overtuigend en ziet in hetgeen in hoger beroep zonder nadere medische onderbouwing is aangevoerd geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

5.5. Hetgeen onder 5.1 tot en met 5.4 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellante met ingang van 1 juli 2008 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Mostert.

TM