Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2712

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
10-410 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking uitkering ingevolge de ZW omdat betrokkene geschikt wordt geacht voor de eerder geduide functies.

Conclusies bezwaarverzekeringsarts zijn voldoende onderbouwd. Dat betrokkene niet zelfredzaam zou zijn en om die reden hier sprake zou zijn van een situatie waarin sprake is van “ Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden”, heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 15 april 2010 afdoende weerlegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/410 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 december 2009, 08/2725 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht , hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2011.

Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Plas.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft tot 7 augustus 2007 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van voormelde datum is die uitkering ingetrokken, omdat appellant niet langer arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van de WAO.

2. Appellant heeft zich op 17 maart 2008 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld.

3. Bij besluit van 6 juni 2008 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 10 juni 2008 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat hij op en na deze datum geschikt wordt geacht voor de eerder geduide functies.

4. Bij besluit van 5 augustus 2008 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 juni 2008 ongegrond verklaard.

5. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de door de (bezwaar) verzekeringsarts opgestelde rapportages, De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel, bijvoorbeeld in de vorm van medische gegevens, door appellant niet zijn aangereikt.

6. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden de uitkomst van het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden en heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts destijds de beschikking had over informatie van de huisarts. De met inachtneming van die informatie door de bezwaarverzekeringsarts getrokken conclusie dat de psychische klachten en beperkingen van appellant vooral voorvloeien uit de sociale problematiek van appellant acht de Raad voldoende onderbouwd. Nu appellant destijds voor zijn psychische klachten niet onder specialistische behandeling was, bestond voor de bezwaarverzekeringsarts ook geen aanleiding om terzake nadere informatie in te winnen. Uit de informatie van de huisarts is verder gebleken dat het met de buikklachten van appellant bij gebruik van medicatie duidelijk beter ging, hetgeen werd bevestigd door de onderzoeksbevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Uit het rapport van de primaire verzekeringsarts blijkt verder dat bij onderzoek op 6 juni 2008 de psoriasis rustig bleek te zijn. Dat appellant niet zelfredzaam zou zijn en om die reden hier sprake zou zijn van een situatie waarin sprake is van “ Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden”, heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 15 april 2010 afdoende weerlegd.

7. Uit hetgeen is overwogen onder 6 volg dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissinig is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Mostert.

TM