Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2701

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
10-4268 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4268 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2010, 09/1637 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij gevoegd een rapport van de bezwaarverzekeringsarts A.J.D. Versteeg van 6 oktober 2010 en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige W.Th. Pompe van 1 november 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft - gevoegd met de zaak 10/4269 WIA - plaatsgevonden op 9 maart 2011 waar voor appellant mr. De Bie is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman. Ter afdoening zijn de zaken weer gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2. Bij besluit van 12 juli 2006 heeft het Uwv, naar aanleiding van het verzoek van appellant van 23 mei 2005, geweigerd deze uitkering te herzien naar een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse. Het daartegen ingediende bezwaar is - na een eerdere procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 24 december 2008 waarbij (voor zover hier van belang) het besluit op bezwaar van 31 oktober 2008 op arbeidskundige gronden is vernietigd en het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen - bij besluit van 16 maart 2009 (bestreden besluit) gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid is per 29 januari 2005 verhoogd naar 35 tot 45%.

1.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het namens appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak berust op de overweging dat voor zover appellant zich op het standpunt stelt dat de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist is, de Raad reeds in zijn uitspraak van 24 december 2008 heeft geoordeeld dat de beperkingen van appellant door voldoende zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. Het beroep van appellant heeft zich bij de rechtbank vervolgens toegespitst op de volgende, arbeidskundige gronden. De functie van machinaal metaalbewerker (exclusief bankwerk; Sbc-code 264122) is volgens appellant niet geschikt, omdat hij niet beschikt over een VMBO-diploma, of een vergelijkbaar opleidingsniveau en niet in staat is om aanvullende cursussen te volgen. De functie van kwekerijmedewerker (Sbc-code 111010) acht appellant niet geschikt, omdat de voor hem gestelde beperking met betrekking tot het handelingstempo in die functie wordt overschreden. Wat betreft de functie machinaal metaalbewerker heeft de rechtbank overwogen dat VMBO-niveau is vereist en niet een VMBO-diploma. Ten aanzien van de functie kwekerijmedewerker heeft de rechtbank overwogen dat in deze functie geen hoog, maar een regulier handelingstempo is vereist. Appellant is echter niet beperkt geacht voor een regulier handelingstempo zoals dat hier voorkomt bij het werken aan de lopende band.

2. Appellant heeft in hoger beroep de gronden herhaald die hij reeds bij de rechtbank had aangevoerd. Naar de mening van appellant is hij niet in staat functies te verrichten op VMBO-niveau, zeker niet indien hij een aanvullende opleiding en/of cursus dient te volgen. Uit de functiebeschrijving medewerker tuinbouw en uit de toelichting van de arbeidsdeskundige blijkt niet voldoende gemotiveerd dat bij die functie geen werkzaamheden met een hoog handelingstempo dienen te worden verricht. Voorts heeft appellant verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat in de functies het opleidingsniveau van appellant niet wordt overschreden en dat het volgen van (bedrijfseigen) cursussen slechts het volgen van basale praktische cursussen betreft die aan onervaren mensen wordt gegeven op de werkvloer. Met de beperkingen van appellant, zoals het vermijden van hoog handelingstempo, wordt in de hier aan de orde zijnde functies voldoende rekening gehouden. Wat de overschrijding van de redelijke termijn betreft, heeft het Uwv zich gerefereerd aan het oordeel van de Raad.

4. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank met betrekking tot de medische en arbeidskundige aspecten in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Wat de medische grondslag betreft is terecht volstaan met een verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 24 december 2008. Appellant heeft in hoger beroep geen nadere, arbeidskundige informatie overgelegd die de Raad doen twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. Dat de aan appellant te stellen opleidings- en ervaringseisen in de onderhavige functies niet worden overschreden, is afdoende gemotiveerd in de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige Pompe van 16 maart 2009 en nader toegelicht in zijn rapport van 1 november 2010. Uitgangspunt is voorts de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 5 april 2006 (punt 1.9.8) waaruit blijkt dat appellant is aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist. Wat de functie medewerker tuinbouw (kwekerij medewerker) betreft overweegt de Raad dat deze, gelet op de FML en genoemde rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige, past binnen de belastbaarheid van appellant. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak slaagt derhalve niet.

5.1. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009). Een vergoeding van € 500,- per half jaar of per gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel werd overschreden, is gepast.

5.2. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellant op 15 december 2005, welk bezwaar gericht was tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek van 23 mei 2005, tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en vier maanden verstreken. De Raad heeft in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, en ook in de opstelling van appellant geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Dit leidt tot het oordeel dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

5.3. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 15 april 2009 (LJN BI3008) en 22 december 2010 (LJN BO8537) is de Raad van oordeel dat in een geval als dit, waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar door de Raad heeft geleid tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een herhaalde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Niet is gesteld of gebleken dat in de loop van de hele procedure sprake is geweest van enige te lange behandelingsduur bij een rechterlijke instantie.

5.4. Nu de overschrijding van de redelijke termijn één jaar en vier maanden bedraagt, verbindt de Raad hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure - voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - de totale door het Uwv aan appellant te betalen schadevergoeding € 1.500,- bedraagt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.500,-.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL