Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2514

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2011
Datum publicatie
26-04-2011
Zaaknummer
09-5843 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Beoordeling. Werkgever is gerechtigd eenzijdig aanwijzingen te geven ter vervulling van de functie. Universitair docent. Publicatie-eis. Niet voldaan aan minimumnorm. Geen medische reden voor het niet voldoen aan de gestelde eis. 2) Aanwijzing als herplaatsingskandidaat. Een werknemer verkrijgt de status van herplaatsingskandidaat op de dag waarop de schriftelijke mededeling dat hij op de genoemde grond met ontslag wordt bedreigd, is verzonden. De aanwijzing als herplaatsingskandidaat kan de toetsing in rechte doorstaan. 3) Ontslag wegens onbekwaamheid en/of ongeschiktheid voor de functie. Gezien beoordeling voldoende grond voor ontslag. De vastgestelde onbekwaamheid heeft op goede gronden heeft plaatsgevonden en het herplaatsingsonderzoek heeft op toereikende wijze zijn beslag gekregen. Het college was bevoegd om tot het ontslag over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5843 AW, 09/5844 AW, 09/5845 AW en 09/5846 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 september 2009, 07/6271, 08/1788, 08/6081 en 09/788 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van Bestuur van de Universiteit Leiden (hierna: college)

Datum uitspraak: 7 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.A. Sjoer, advocaat te Utrecht. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. van der Lecq, dr. G. Wolters en mr. D.H. Mandel, allen werkzaam bij de Universiteit Leiden.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in 1989 in dienst getreden van de Universiteit Leiden als universitair docent bij de faculteit [naam faculteit]. Vanaf 1996 was hij werkzaam bij de sectie [naam sectie]. Bij de invoering van een nieuw functieordeningssysteem in 2004 is zijn functie nader gepreciseerd als universitair docent 2.

1.2. In 2000 is een nieuwe hoogleraar en leidinggevende van appellant aangetreden. Deze heeft vanaf de tweede helft van 2000 gesprekken met appellant gevoerd over de kwaliteit en voortgang van zijn werkzaamheden op de terreinen onderwijs en onderzoek. Deze gesprekken vonden om de paar maanden plaats. In de jaren nadien zijn deze periodieke gesprekken voortgezet.

1.3. Tijdens een gesprek op 6 september 2004 is het functioneren van appellant in de jaren voordien geëvalueerd. De leidinggevende heeft appellant voorgehouden dat het door hem verzorgde onderwijs weliswaar enigszins was verbeterd, maar dat daarover nog steeds werd geklaagd door studenten. Op onderzoeksterrein was volgens de leiding-gevende geen verbetering in het functioneren van appellant ingetreden. Aan appellant is te verstaan gegeven dat hij op 1 april 2005 diende te voldoen aan de volgende eisen:

- het behalen van een minimale score op alle onderwijsevaluaties van 3,0;

- het voldoen aan publicatienormen (publicatie van twee artikelen in internationale tijdschriften of een equivalent daarvan, zoals gedefinieerd in de publicatienormen van het departement Psychologie);

- het binnen de departementale normen aanvaarden van al het opgedragen onderwijs op het gebied van cognitieve psychologie.

1.4. Tijdens een gesprek op 18 april 2005 is appellant uitstel verleend voor het voldoen aan de genoemde drie eisen tot 31 december 2005. Daarbij is hem voorgehouden dat er als hij op die datum niet aan die eisen zou voldoen, voor hem ontslag wegens ongeschiktheid voor zijn functie zou worden gevraagd. In verband met onduidelijkheid over de acceptatie van een tweetal artikelen is op 1 december 2005 nogmaals, tot

6 februari 2006, uitstel verleend, waarbij is gesteld dat de ontslagdreiging blijft. Tijdens een gesprek op 9 februari 2006 is een laatste maal uitstel verleend tot 1 juli 2006.

1.5. Tijdens een volgend gesprek op 24 juli 2006 is appellant beoordeeld. Daarbij heeft de leidinggevende vastgesteld dat appellant heeft voldaan aan de twee vereisten betreffende het geven van onderwijs, maar dat niet is voldaan aan het vereiste van publicatie van twee artikelen in een internationaal tijdschrift. Geconcludeerd is dat appellant ongeschikt/ onbekwaam is voor zijn functie. In dat gesprek heeft de leidinggevende aangekondigd dat een ontslagverzoek aan het college zal worden gericht. Appellant heeft verzocht om herziening van de conclusies over zijn functioneren zoals die in het verslag van dit gesprek zijn opgenomen. Nadat appellant over dat verzoek is gehoord, is op 19 oktober 2006 besloten de conclusies in het gespreksverslag niet te herzien. Vervolgens is appellant bij brief van 30 oktober 2006 meegedeeld dat, nu zijn herzieningsverzoek niet is gehonoreerd, de in het gespreksverslag vervatte beoordeling vaststaat. Daarbij is vast-gesteld dat appellant met ontslag wordt bedreigd wegens onbekwaamheid/ongeschiktheid en is appellant, gezien het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Herplaatsingsregeling, per gelijke datum aangewezen als herplaatsingskandidaat.

1.6. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen zowel de beoordeling als de aanwijzing als herplaatsingskandidaat. Bij besluit van 9 juli 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen de beoordeling ongegrond verklaard. Eveneens op 9 juli 2007 heeft het college de in het besluit van 30 oktober 2006 vervatte aanwijzing als herplaatsingskandidaat herroepen en een nieuw besluit genomen, inhoudende hernieuwde vaststelling dat appellant met ontslag wordt bedreigd en verlening met ingang van 9 juli 2007 van de status van herplaatsingskandidaat. Appellant heeft ook tegen dit nieuwe besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar op 3 juli 2008 (hierna: bestreden besluit 2) ongegrond is verklaard.

1.7. Na het voornemen daartoe bekend te hebben gemaakt en appellant in de gelegenheid te hebben gesteld zijn zienswijze daarover kenbaar te maken, heeft het college appellant bij besluit van 7 mei 2008, met ingang van 15 augustus 2008, ontslag verleend wegens onbekwaamheid en/of ongeschiktheid voor zijn functie. Het ontslag is, samengevat, gebaseerd op de volgende overwegingen. Het door appellant gegeven onderwijs is, ondanks gegeven begeleiding, over het geheel genomen niet voldoende. Voorts heeft het door appellant verrichte onderzoek jarenlang niet of nauwelijks tot publicaties geleid. Slechts recent zijn twee publicaties verschenen, waarmee bij lange na niet is voldaan aan de departementale normen. Langdurige begeleiding en vele gesprekken hebben niet tot positief resultaat geleid, zodat er geen grond is voor de verwachting dat de kwaliteit van onderwijs en onderzoek bij een voortzetting van het dienstverband substantieel zal verbeteren. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het ontslagbesluit. Bij beslissing op bezwaar van 22 december 2008 (hierna: bestreden besluit 3) is het ontslag gehandhaafd, waarbij de ingangsdatum nader is bepaald op 1 januari 2009.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep van appellant tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Bestreden besluit 1

3.1.1. Met betrekking tot bestreden besluit 1 heeft appellant in de eerste plaats aangevoerd dat dit niet volgens het bepaalde in de Regeling Resultaat- en Ontwikkelgesprekken tot stand is gekomen. De Raad volgt appellant daarin niet. In artikel 7 van de genoemde regeling is bepaald dat in een resultaat- en ontwikkelingsgesprek tussen leidinggevende en werknemer de volgende vier onderwerpen aan de orde moeten komen: evaluatie van behaalde resultaten, beoordeling van de werknemer, afspraken rondom de ontwikkeling van de werknemer en afspraken rondom de te behalen resultaten. Evaluatie van behaalde resultaten en beoordeling van de werknemer vinden plaats aan de hand van de afspraken die in het voorgaande resultaat- en ontwikkelgesprek met de werknemer zijn gemaakt. De leidinggevende, zo is bepaald in het eerste lid van artikel 8 van de regeling, is verantwoordelijk voor het opstellen van een deugdelijk verslag van het gesprek. Van belang is verder nog dat het college heeft besloten om in het jaar 2006 nog niet te werken met de in artikel 7, tweede lid, van de regeling opgenomen waarderingscodes. De Raad stelt vast dat het gesprek op 24 juli 2006 conform een en ander is verlopen en vastgelegd. De Raad deelt niet de opvatting van appellant dat de drie aan hem gestelde eisen, nu hij met die eisen nooit heeft ingestemd, niet als afspraken in de zin van de regeling zijn te beschouwen. De Raad overweegt in dat verband dat de aard van de rechtsverhouding tussen ambtenaar en werkgever met zich brengt dat de werkgever gerechtigd is om binnen de grenzen van het functieprofiel - waarnaar artikel 1 van de regeling dan ook verwijst - eenzijdig aanwijzingen ter vervulling van de functie te geven, en dat de volgens de regeling te maken afspraken mede in dat licht moeten worden bezien en ingevuld. Ten aanzien van de inhoud van de gestelde eisen verwijst de Raad naar rechtsoverweging 3.1.2.

3.1.1.1. De Raad deelt ook niet het standpunt van appellant dat is gehandeld in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Regeling Resultaat- en Ontwikkelgesprekken, waarin is bepaald dat in een resultaat- en ontwikkelgesprek geen (voorgenomen) besluiten met negatieve rechtspositionele consequenties aan de orde mogen komen. Uit deze bepaling vloeit weliswaar voort dat het beoordelings- en het (negatieve) besluitvormingstraject gescheiden van elkaar hun beslag dienen te krijgen, maar naar het oordeel van de Raad betekent dat niet dat niet, zoals in dit geval is gebeurd, in een serie van opeenvolgende gesprekken met een toenemende mate van indringendheid zou mogen worden gewaarschuwd voor de mogelijke consequenties van een tekortschietend functioneren. In die constellatie zou het niet reëel zijn en slechts onduidelijkheid scheppen als er op het moment waarop bedoelde consequenties onvermijdelijk lijken te zijn geworden, plotseling het zwijgen toe zou (moeten) worden gedaan. De Raad overweegt in dit verband dat noch ten tijde van het gesprek op 24 juli 2006, noch ten tijde van de afhandeling van het herzieningsverzoek van appellant, al sprake was van een schriftelijk ontslagvoornemen. Naar aanleiding van de totstandkoming van een dergelijk voornemen in een later stadium is appellant, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de regeling, uitgenodigd voor een zienswijzegesprek. Anders dan de rechtbank, die heeft overwogen dat in strijd met artikel 9 is gehandeld maar dat appellant daardoor niet in zijn belangen is geschaad, is de Raad dan ook van oordeel dat de bepaling in voldoende mate is nageleefd. Slechts de aanwijzing als herplaatsingskandidaat in het besluit van 30 oktober 2006 zou, voor zover dat besluit althans tevens moet worden beschouwd als de bekendmaking aan appellant van de vaststelling van de beoordeling op 19 oktober 2006, in het licht van artikel 9, eerste lid, van de regeling te vroeg zijn gekomen, maar nu deze aanwijzing is herroepen, kan, wat er verder van de precieze strekking van eerstgenoemd besluit ook zij, ook in zoverre niet worden gezegd dat de beoordeling als strijdig met de regeling is te beschouwen.

3.1.2. De Raad komt vervolgens toe aan hetgeen appellant heeft aangevoerd ten aanzien van de inhoud van de beoordeling. De Raad stelt voorop dat appellant niet heeft weersproken dat hij op 24 juli 2006 - en dus ook op 1 juli 2006 - geen twee publicaties in internationale tijdschriften tot stand had gebracht. Het betoog van appellant op het onderhavige punt komt er op neer dat dit ook niet van hem had mogen worden verwacht. Appellant heeft daartoe verwezen naar de departementale publicatienormen zoals neergelegd in de notitie “Allocatie van onderzoeksmiddelen binnen het Departement Psychologie” van 7 januari 2005, volgens welke een publicatie, afhankelijk van de aard daarvan, een bepaald aantal punten oplevert. De notitie bevat een minimumnorm van het behalen van 20 punten binnen een periode van vijf jaar. Blijkens een verslag van een op 20 september 2005 gevoerd gesprek, is de aan appellant gestelde publicatie-eis in het licht van de bedoelde departementale normen vertaald naar het behalen van 12 punten conform die normen. Appellant meent dat de eis daarmee onredelijk hoog was, nu hij sinds 6 september 2004 minder dan twee jaar de tijd heeft gehad om daaraan te voldoen. De Raad volgt appellant daarin niet. Anders dan appellant kennelijk meent, was op 6 september 2004 geen sprake van een nulpunt: het college heeft benadrukt dat de publicatie-eis niet los kan worden bezien van het al sinds zijn indiensttreding tekortschietend functioneren van appellant op dat gebied. Naar door appellant niet is weersproken, had hij in ieder geval vanaf 1999 geen enkele wetenschappelijke publicatie in een internationaal tijdschrift op zijn naam gebracht, dit in weerwil van de vanaf 2000 met hem gevoerde gesprekken en gedane aansporingen. De Raad acht het stellen van een “harde” publicatie-eis tegen die achtergrond geen onlogische vervolgstap, en is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het gestelde vereiste, de deadline van 1 juli 2006 daaronder begrepen, niet binnen de grenzen is gebleven van hetgeen in het licht van zijn functie van appellant mocht worden verwacht, zodat evenmin kan worden gezegd dat dit vereiste niet als uitgangspunt voor de beoordeling had mogen dienen. De rechtbank is terecht tot eenzelfde conclusie gekomen.

3.1.2.1. Dat de genoemde notitie inzake allocatie van onderzoeksmiddelen dateert van na het gesprek op 6 september 2004, maakt het voorgaande niet anders. Bij appellant mocht zonder meer bekend worden verondersteld dat de functie van universitair docent mede behelst het doen van onderzoek en het daarover op regelmatige basis publiceren. Ook de organisatieveranderingen waarmee appellant in zijn loopbaan te maken heeft gehad, maken niet dat op dit punt anders zou moeten worden geoordeeld.

3.1.2.2. Appellant heeft verder nog naar voren gebracht dat zowel bij de vaststelling van de beoordeling in oktober 2006 als bij het nemen van het bestreden besluit in 2007, rekening had moeten worden gehouden met ontwikkelingen na 24 juli 2006, zoals bijvoorbeeld de voorwaardelijke acceptatie van een internationaal tijdschriftartikel. De Raad volgt appellant ook daarin niet. De aan appellant gestelde eis hield in het hebben gerealiseerd van de publicaties op, uiteindelijk, 1 juli 2006, en niet op enige latere datum. Hierboven is reeds overwogen dat niet kan worden gezegd dat die eis niet als uitgangspunt voor de beoordeling had mogen gelden. Naar aanleiding van hetgeen appellant heeft opgemerkt over de zogeheten ex nunc toetsing in bezwaar, merkt de Raad nog op dat een beoordelingsbesluit, dat immers steeds op een vastliggende periode uit het verleden betrekking heeft, zich daarvoor naar zijn aard niet leent.

3.1.2.3. De Raad onderschrijft ten slotte het oordeel van de rechtbank dat het bestaan van een medische reden voor het niet voldoen aan de gestelde eis niet aannemelijk is geworden, waarbij de Raad overigens opmerkt dat dergelijke redenen volgens zijn vaste rechtspraak (CRvB 25 april 2007, LJN BA5298 en TAR 2007, 173) hooguit invloed kunnen hebben op de aan een beoordeling te verbinden rechtspositionele gevolgen, maar dat deze niet kunnen leiden tot een gunstiger beoordeling dan op grond van het feitelijk functioneren van de betrokkene gerechtvaardigd is.

3.2. Bestreden besluit 2

3.2.1. In artikel 8.4, zesde lid, van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO NU) is bepaald dat de werkgever, indien deze voornemens is het dienstverband met de werknemer te beëindigen wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijn functie, onderzoekt of er andere passende werkzaamheden beschikbaar zijn, tenzij het tekortschieten te wijten is aan schuld of toedoen van de werknemer. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Herplaatsingsregeling Universiteit Leiden krijgt een werknemer de status van herplaatsingskandidaat op de dag waarop de schriftelijke mededeling dat hij op de genoemde grond met ontslag wordt bedreigd, is verzonden.

3.2.2. De Raad overweegt dat het gehandhaafde besluit van 9 juli 2007 in overeenstemming is met deze bepalingen, en dat de vaststelling in dat besluit dat appellant ten tijde daarvan met ontslag werd bedreigd, al hetgeen hiervoor is overwogen mede in aanmerking genomen, niet zonder grond was. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat de aanwijzing als herplaatsingskandidaat de toetsing in rechte kan doorstaan.

3.3. Bestreden besluit 3

3.3.1. De Raad stelt voorop dat nu de beoordeling, gezien al hetgeen onder 3.1 werd overwogen, in rechte standhoudt, bij de toetsing van het ontslagbesluit van die beoordeling moet worden uitgegaan. Vast staat dus dat appellant ten tijde van de beoordeling niet voldeed aan de eisen die aan zijn functioneren mochten worden gesteld. Zoals reeds is overwogen onder 3.1.2.3 is niet gebleken van een medische oorzaak daarvoor. De Raad merkt in dat verband nog op dat hij appellant ook niet volgt in zijn standpunt dat het college medisch onderzoek had moeten doen verrichten alvorens het tot de voorbereiding van het ontslag had mogen overgaan, nu in de bewuste periode geen aanwijzingen voor mogelijke medische problemen naar voren zijn gekomen.

3.3.2. Bespreking behoeft nog het betoog van appellant dat hij na de vaststelling van de beoordeling dusdanige resultaten heeft geboekt dat er ten tijde van het bestreden besluit voor ontslag wegens onbekwaamheid en/of ongeschiktheid geen grond (meer) bestond. De Raad overweegt in dat verband dat het ontslag, terecht, uitdrukkelijk mede is gebaseerd op de periode na juli 2006. Dat appellant in respectievelijk maart 2008 en mei 2008 alsnog twee publicaties in internationale tijdschriften - waarvan één als co-auteur - tot stand heeft gebracht, en aldus op dat punt enige verbetering in zijn functioneren heeft laten zien, is in het bestreden besluit dan ook onderkend. Het college heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat die ontwikkeling niet de conclusie rechtvaardigt dat van onbekwaamheid/ongeschiktheid voor de functievervulling geen sprake meer was. Het college heeft in dat verband benadrukt dat de eis van twee publicaties in een internationaal tijdschrift niet een op willekeurig welk moment te vervullen einddoel inhield, maar een uiterlijk in 2006 te zetten eerste stap behelsde, die niet maakte dat in dit opzicht verder niets meer van appellant werd verwacht. De Raad ziet, mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 3.1.2 ten aanzien van de bedoelde eerste stap en de daaraan verbonden deadline is overwogen, niet in dat dit uitgangspunt niet redelijk zou zijn te achten. Daarvan uitgaande heeft het college niet ten onrechte geconcludeerd dat appellant ook in 2008 in dit opzicht nog tekortschoot. De vaststelling van onbekwaamheid en/of ongeschiktheid van appellant voor zijn functie was te minder ongerechtvaardigd nu ook de onderwijsevaluaties, die in 2006 nog alle op 3,0 of hoger uitkwamen - het college heeft benadrukt dat 3,0 op zichzelf al een ondergrens is - inmiddels weer ten dele beneden die grens waren komen te liggen. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat de genoemde vaststelling op goede gronden berust.

3.3.3. De Raad is ten slotte met de rechtbank van oordeel dat het op grond van artikel 8.4, zesde lid, van de CAO NU verrichte herplaatsingsonderzoek, hoewel niet kan worden gezegd dat dit erg omvangrijk is geweest, toch niet als ontoereikend is te beschouwen. Naar appellant heeft bevestigd, waren met zijn eigen gespecialiseerde functie vergelijkbare functies binnen de universiteit dun gezaaid. Appellant heeft geen initiatieven in de richting van om- of bijscholing getoond, maar heeft, in tegendeel en naar de rechtbank terecht in haar overwegingen heeft betrokken, na een eerste gesprek van verdere gesprekken met de loopbaanadviseur afgezien.

3.3.4. Artikel 8.4, eerste lid, van de CAO NU geeft het college de bevoegdheid een werknemer te ontslaan indien er sprake is van een redelijke grond. Blijkens het al genoemde zesde lid van de bepaling merkt de CAO NU als een zodanige grond in ieder geval aan de in dit geval door het college vastgestelde onbekwaamheid en/of ongeschiktheid. Nu de bedoelde vaststelling op goede gronden heeft plaatsgevonden en het door het zesde lid voorgeschreven herplaatsingsonderzoek op toereikende wijze zijn beslag heeft gekregen, was het college bevoegd om tot het ontslag van appellant over te gaan. De Raad ziet evenmin als de rechtbank in de stellingen van appellant grond voor het oordeel dat het college in dit geval niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten en met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en B.J. van de Griend en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD