Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2503

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2011
Datum publicatie
26-04-2011
Zaaknummer
10-1288 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek uitbetaling niet genoten vakantie-uren. Het bestuur had de afwikkeling van de vakantie-aanspraken van appellant ten tijde van zijn ontslag nog in de sleutel moeten plaatsen van dit bijzondere, individuele geval. Het is redelijk om het aantal voor vergoeding in aanmerking te brengen uren vast te stellen op de periode die het bestuur oorspronkelijk bereid was te vergoeden door het opschuiven van de ontslagdatum. Uitgaande van een 38-urige werkweek komt dat aantal op 304 uren. Het bestuur heeft 76 uur vergoed. Vernietiging bestreden besluit. De Raad kent aan appellant de in artikel 26 van het Barp bedoelde vergoeding toe voor 228 in het jaar 2008 niet genoten vakantie-uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1288 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 februari 2010, 09/3452 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van Bestuur van het LSOP (hierna: college)

Datum uitspraak: 7 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat te ’s-Gravenhage. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B. van den Bergh, werkzaam bij het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs- en kenniscentrum (hierna: LSOP).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Ten tijde in geding was appellant in de rang van hoofdinspecteur van politie als adviseur werkzaam bij de organisatie-eenheid Kennisnetwerk. Appellant had jaarlijks een groot overschot aan vakantie-uren, in verband waarmee telkens in het begin van een volgend jaar een deel aan hem werd uitbetaald en een deel werd overgeboekt naar dat jaar. Dit was ook het geval in 2008.

1.2. Nadat appellants leidinggevende daarover in juni van dat jaar met hem had gesproken, heeft hij op 7 juli 2008 het volgende briefje aan appellant gestuurd: “In vervolg op ons gesprek met betrekking tot je verlofsaldo bevestig ik je hierbij het volgende. Op 31 december 2007 was jouw verlof- en meeruren stand als volgt:

266 verlofuren en89 meeruren.Inmiddels zijn de 89 meeruren met het salaris van maart 2008 uitbetaald.Wij hebben afgesproken dat je 266 verlofuren mee mogen naar 2008 onder voorwaarde dat alle uren in de loop van het jaar worden opgenomen.Op 31 december 2008 mag je verlof- en meerurenstand niet meer zijn dan de officiële aantal uren dat elke medewerker over mag hevelen naar een volgend jaar. Voor jou is dat in totaal 83,6 uren.”

1.3. Appellant had voor juli en augustus 2008 een vakantie gepland maar die is als gevolg van ziekte niet doorgegaan. In de daarop volgende periode heeft appellant nauwelijks vakantie opgenomen, ook niet in de laatste maanden van het jaar, toen hij wist dat hij met ingang van 1 januari 2009 zijn baan bij het LSOP ging verruilen voor die van directeur van een grote horecagelegenheid.

1.4. Omdat appellant nog een erg groot aantal vakantie-uren had, is hem van de kant van het LSOP het voorstel gedaan het ontslag twee maanden later te laten ingaan en hem in die maanden toe te staan zijn nieuwe functie te vervullen. Appellant heeft deze constructie in verband met eventuele integriteitsproblemen niet goed begaanbaar geacht. Hij heeft zijn ontslag verzocht en gekregen met ingang van 1 januari 2009.

1.5. Vervolgens heeft appellant het verzoek gedaan hem de niet genoten vakantie uit te betalen. Dat verzoek is, behoudens een aantal van 76 uren dat appellant op grond van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) naar 2009 zou hebben mogen meenemen, afgewezen. Na bezwaar is die afwijzing gehandhaafd bij besluit van 7 juli 2009 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij was van oordeel dat appellant op de datum van zijn ontslag geen aanspraak kon maken op meer uren vakantie dan op grond van de toepasselijke voorschriften mogen worden overgeboekt, en dus ook niet op uitbetaling van meer uren dan dat aantal.

3. Naar aanleiding van de standpunten van partijen in hoger beroep overweegt de Raad als volgt.

3.1. Hij kan de rechtbank volgen voor zover zij uitleg heeft gegeven aan de artikelen 23, eerste lid, en 26, eerste lid, van het Barp. Op de dag van ontslag die samenvalt met de overgang naar een nieuw kalenderjaar heeft de politieambtenaar recht op vergoeding van de nog niet genoten aanspraak op vakantie, welke aanspraak bij die overgang naar het nieuwe kalenderjaar ten hoogste het maximum betreft als uiteengezet in de laatste zinsnede van het eerste lid van artikel 23 van het Barp. Dat maximum is hier 76 uren.

3.2. In de situatie van appellant is echter geen sprake van een normale toepassing van de evenvermelde artikelleden. Het bestuur heeft immers bij de onder 1.2 weergegeven afspraak toepassing gegeven aan het tweede lid van artikel 23 van het Barp. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag in individuele gevallen kan toestaan dat in een bepaald jaar wordt afgeweken van de volgens de voorschriften maximaal naar een volgend kalenderjaar over te boeken vakantie-aanspraken.

3.3. Daarbij is hier van belang dat het appellant pas met de brief van juli 2008, na het gesprek in juni, duidelijk kon worden dat, anders dan in de voorgaande jaren en ook kort tevoren nog was geschied, niet meer zou worden overgegaan tot gedeelteijke vergoeding en gedeeltelijke overboeking, boven het reguliere maximum. Verder kan niet worden voorbijgegaan aan de omstandigheid dat appellant als gevolg van zijn ziekte niet in staat is geweest de geplande zomervakantie te genieten. Tot slot, maar niet in de laatste plaats, komt betekenis toe aan de bereidheid van het bestuur om de ontslagdatum met twee maanden op te schuiven om appellant zo de gelegenheid te geven, naast zijn nieuwe baan, een deel van zijn vakantietegoed te kunnen opmaken.

3.4. De Raad is van oordeel dat het bestuur op 1 januari 2009 ten onrechte slechts strikt toepassing heeft gegeven aan de artikelen 23, eerste lid, en 26, eerste lid, van het Barp en ten onrechte - gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden - geen vervolg heeft gegeven aan de toepassing van het tweede lid van artikel 23 van het Barp. Het bestuur had de afwikkeling van de vakantie-aanspraken van appellant ten tijde van zijn ontslag nog in de sleutel moeten plaatsen van dit bijzondere, individuele geval. De Raad slaat hierbij mede acht op de circulaire van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 augustus 2007 betreffende overboeking van vakantieverlof. Daarin wordt er weliswaar op gewezen dat ook de ambtenaar verantwoordelijkheid neemt in het voorkomen van verlofstuwmeren, maar tevens wordt gesteld dat het niet de bedoeling van de regelgeving is om uren te laten vervallen die buiten toedoen van de ambtenaar nog resteren.

3.5. Appellant heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen dat hij in 2008 niet in de gelegenheid is geweest een deel van het vakantietegoed op te maken. Daarom heeft hij geen recht op een vergoeding voor alle niet genoten uren. Het komt de Raad redelijk voor het aantal voor vergoeding in aanmerking te brengen uren vast te stellen op de periode die het bestuur oorspronkelijk bereid was te vergoeden door het opschuiven van de ontslagdatum. Uitgaande van een 38-urige werkweek komt dat aantal op 304 uren.

4. Omdat het bestuur slechts 76 uren heeft vergoed, kan het bestreden besluit in rechte geen stand houden. Dat brengt de Raad tot de conclusie dat dit besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, moeten worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding de vergoeding voor (304 - 76 =) 228 uren zelf bij zijn uitspraak toe te kennen.

5. In het vorenstaande vindt de Raad tot slot aanleiding het bestuur op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze worden begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 874,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.518,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Kent aan appellant de in artikel 26 van het Barp bedoelde vergoeding toe voor 228 in het jaar 2008 niet genoten vakantie-uren en bepaalt dat deze uitspraak van de Raad in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.518,-;

Bepaalt dat het bestuur aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 374,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en B.J. van de Griend en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD