Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2310

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2011
Datum publicatie
26-04-2011
Zaaknummer
10-2965 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering AOW-pensioen omdat niet is gebleken dat appellant vanaf 1 januari 1957 verzekerd is geweest ingevolge die wet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij van 1970 tot 1973 in Nederland heeft gewoond en gewerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2965 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

B. [naam appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2010, 09/2672 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 22 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft in reactie op het verweerschrift een brief ingezonden en nadere stukken ingediend.

Op 17 februari 2011 heeft de Raad een brief ontvangen van mr. V. Dolderman, advocaat te Utrecht, met daarin de mededeling dat hij vanaf die datum de belangen van appellant zal behartigen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2011. Appellant noch zijn gemachtigde is daarbij verschenen. De Svb was vertegenwoordigd door mr. G.J. Oudenes.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad heeft geen aanleiding gezien tot inwilliging van het door de gemachtigde van appellant één dag voor de zitting gedane verzoek tot uitstel van de behandeling ter zitting. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken, op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat appellant buiten staat is geweest op een eerder moment een verzoek tot uitstel in te dienen of te laten indienen.

2.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.2. Appellant, woonachtig in Marokko en geboren in 1944, heeft bij brief van 3 januari 2008 een aanvraag om een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingediend bij de Svb. In deze brief heeft appellant te kennen gegeven dat hij van 1970 tot 1973 in Nederland heeft gewerkt. Op door hem retour gezonden en door hem op 25 januari 2008 en op 12 maart 2008 ondertekende aanvraagformulieren heeft appellant ingevuld dat hij van 1970 tot 1973 bij een transport- en containerbedrijf te Rotterdam heeft gewerkt en ook in die stad heeft gewoond. Als bewijs van zijn werkzame leven in Nederland heeft appellant bij zijn aanvraag een kopie overgelegd van een schrijven van 19 oktober 1973 van het transport- en containerbedrijf De Wit, waarvan volgens het briefhoofd kantoor en werkplaats gevestigd zouden zijn aan het Rotsoord te Utrecht. Het genoemde schrijven bevat de verklaring dat [naam appellant] Ben Aissa na een verblijf in Marokko bij De Wit kan terugkomen.

2.3. De Svb heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de gestelde werkzaamheden van appellant in Nederland en naar zijn verblijf in Rotterdam. Daartoe is het bevolkings- en archiefregister van de gemeente Rotterdam geraadpleegd en zijn diverse pensioenfondsen benaderd. Tevens heeft de Svb appellant verzocht aanvullende bewijsstukken in te sturen om te kunnen vaststellen of hij recht heeft op een AOW-pensioen. Hierop heeft appellant bij brief van 31 juli 2008 te kennen gegeven dat alle papieren bewijzen verloren zijn gegaan en heeft hij opnieuw de kopie van de brief van het transport- en containerbedrijf De Wit te Utrecht ingezonden. Vervolgens heeft de Svb bij besluit van 16 februari 2009 geweigerd aan appellant een ouderdomspensioen krachtens de AOW toe te kennen, omdat niet is gebleken dat appellant vanaf 1 januari 1957 verzekerd is geweest ingevolge die wet.

2.4. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 februari 2009 heeft de Svb getracht nadere informatie te verkrijgen over de werkzaamheden van appellant bij het bij 1.2 genoemde bedrijf. Hiertoe heeft de Svb in het register van de Kamer van Koophandel gezocht naar gegevens over het bedrijf De Wit te Utrecht. Bovendien heeft de Svb het zogenoemde Schakelregister geraadpleegd. Deze inspanningen van de Svb hebben echter geen resultaten opgeleverd waarmee het wonen en werken van appellant in Nederland gedurende de periode van 1970 tot 1973 aangetoond kan worden.

2.5. Bij besluit van 27 mei 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat de brief van het bedrijf De Wit geen direct bewijs vormt van door appellant in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid of van wonen in Nederland, maar daartoe slechts een aanwijzing vormt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb voorts voldoende onderzoek verricht naar het wonen of werken van appellant in Nederland en heeft zij terecht de conclusie getrokken dat hij niet verzekerd is geweest voor de AOW.

4. In hoger beroep heeft appellant zijn stelling herhaald dat hij in Nederland gewoond en gewerkt heeft. Ter nadere onderbouwing van die stelling heeft hij verklaringen ingezonden van getuigen die beschreven hebben dat zij met appellant in de periode van 1970 tot 1973 bij het bedrijf De Wit hebben gewerkt dan wel met hem te Utrecht hebben samengewoond.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Tussen partijen is in geschil of appellant gedurende enig tijdvak verzekerd is geweest ingevolge de AOW op de grond dat hij in Nederland heeft gewoond – en toen ingezetene is geweest in de zin van artikel 2 van de AOW – of hier te lande heeft gewerkt en terzake daarvan aan de loonbelasting onderworpen is geweest.

5.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant zijn stelling, dat hij van 1970 tot 1973 in Nederland heeft gewoond en gewerkt, niet aannemelijk gemaakt. Daarbij wijst de Raad erop dat appellant geen gegevens heeft overgelegd waaruit genoegzaam blijkt van door hem verrichte werkzaamheden hier te lande of waaruit afgeleid kan worden dat appellant toen naar de omstandigheden beoordeeld het centrum van zijn maatschappelijk leven in Nederland had. De Svb heeft op grond van de door appellant verstrekte summiere gegevens getracht meer informatie te verkrijgen over het transport- en containerbedrijf De Wit te Utrecht en heeft geïnformeerd bij diverse pensioenfondsen naar een mogelijk arbeidsverleden van appellant. Ook is onderzoek gedaan in de bevolkingsregisters van Rotterdam en Utrecht en is in de beroepsfase het Schakelregister geraadpleegd. Deze pogingen hebben alle echter niet geleid tot gegevens welke de gestelde werkzaamheden en het gestelde verblijf hier te lande kunnen bevestigen. Naar aanleiding van de in hoger beroep ingezonden verklaringen van personen die getuigen dat zij met appellant hebben samengewerkt bij het transport- en containerbedrijf De Wit te Utrecht dan wel met appellant hebben samengewoond te Utrecht, overweegt de Raad dat ook hierin geen specifieke informatie is vermeld over de eventuele werkzaamheden en het verblijf van appellant hier te lande. Voorts kan blijkens vaste rechtspraak aan dergelijke verklaringen, bij gebreke aan andere gegevens die wijzen op werkzaamheden of verblijf van appellant hier te lande, in het algemeen geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

5.3. De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat appellant van 1970 tot 1973 ingezetene is geweest van Nederland, dan wel toen ter zake van hier te lande verrichte arbeid in dienstbetrekking onderworpen is geweest aan de loonbelasting. Evenmin is gebleken van andere omstandigheden op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat appellant AOW-verzekerd is geweest.

5.4. Uit het overwogene onder 5.1 tot en met 5.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

JL