Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2308

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2011
Datum publicatie
26-04-2011
Zaaknummer
10-1866 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoogte dagloon. De Raad kan, evenmin als de rechtbank, uit de voorhanden gegevens betreffende het inkomen van appellant, opmaken dat appellant gedurende de maanden in de referteperiode waarin hij wegens ziekte niet heeft gewerkt, minder loon heeft ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1866 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 februari 2010, 08/5820 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. E. ’t Jong, werkzaam bij het Juridisch steunpunt Chronisch zieken en Gehandicapten, te Hilversum.

Het hoger beroep is nader toegelicht bij brief van mr. ’t Jong van 25 februari 2011.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2011. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. ’t Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 21 juli 2008 heeft het Uwv aan appellant met ingang van die zelfde datum een IVA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Daarbij is het dagloon waarnaar de uitkering wordt berekend vastgesteld op € 124,57. Dit dagloon is gebaseerd op het inkomen dat appellant heeft genoten in de periode van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006 (de referteperiode).

1.2. Bij besluit van 13 november 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juli 2008 gegrond verklaard in zoverre dat het dagloon is gewijzigd in € 124,63.

2.1. In beroep heeft appellant betoogd dat het Uwv bij de berekening van het dagloon een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 4 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: het Besluit) door ten onrechte het derde lid van artikel 4 van het Besluit toe te passen en daarbij ongemotiveerd voorbij te gaan aan het tweede lid van deze bepaling.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat met artikel 4 van het Besluit is beoogd om de dagloonverlagende werking van perioden van ziekte en arbeidsongeschiktheid te verhinderen. Indien in een in het refertejaar gelegen periode van ziekte niet het volledige loon is doorbetaald, dan wordt daarvoor op grond van deze bepaling een andere periode in de plaats gesteld. Toepassing van artikel 4 van het Besluit is slechts aan de orde als geen of minder loon is genoten in verband met ziekte. Bij de vaststelling van het dagloon moet worden uitgegaan van het loon dat in het refertejaar is genoten. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat het refertejaar loopt van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006 en dat appellant in deze referteperiode een aantal maanden niet (volledig) heeft gewerkt wegens ziekte. Op grond van de door appellant in het geding gebrachte loonstroken over de periode van januari 2004 tot en met juli 2008 alsmede de door de werkgever van appellant verstrekte informatie in het kader van de aanvraag van een WIA-uitkering op het formulier “Loongegevens WIA-uitkering” van 11 april 2008, heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant, in de maanden van het refertejaar waarin hij wegens ziekte niet heeft gewerkt, niet minder loon heeft genoten. Daaraan kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen dat appellant in het jaar 2004 mogelijk meer loon heeft genoten vanwege in dat jaar verricht overwerk.

2.4. Op grond van bovenstaande overwegingen heeft de rechtbank geconcludeerd dat voor toepassing van artikel 4 van het Besluit geen grond bestaat, hetgeen door het Uwv in het bestreden besluit niet is onderkend waardoor hij in strijd heeft gehandeld met deze bepaling. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien het bestreden besluit te vernietigen.

2.5. Vervolgens heeft de rechtbank onderzocht of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv het dagloon van € 124,63 heeft gebaseerd op het SV-loon in het refertejaar. Daarbij zijn ook de vakantietoeslag en een periodieke toeslag die in november 2005 is uitbetaald, betrokken. Deze berekening is in overeenstemming met artikel 3, eerste lid, van het Besluit, met dien verstande dat het Uwv voor de maand december 2005 niet het SV-loon van € 1.895,29 als uitgangspunt heeft genomen, maar het hogere bedrag van € 1.909,64. Nu appellant op dit punt evenwel niet tekort is gedaan, heeft de rechtbank bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3. Het hoger beroep is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen door de rechtbank.

4. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant in de referteperiode niet minder loon heeft genoten vanwege ziekte en dat daarom het bestreden besluit bij nader inzien ten onrechte mede was gebaseerd op artikel 4 van het Besluit.

5.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

5.2. De Raad deelt niet het standpunt van appellant dat bij de behandeling in beroep tussen partijen overeenstemming bestond over de hoogte van het loon in de referteperiode. De Raad wijst in dit verband op de in de gedingstukken opgenomen e-mailberichten van 22 december 2008, waarin namens het Uwv en appellant ter zake verschillende standpunten zijn ingenomen. Ook uit de in beroep door het Uwv ingebrachte pleitnotitie blijkt geen eensluidend standpunt van partijen met betrekking tot de hoogte van het genoten loon gedurende het beloop van de referteperiode.

5.3. De Raad kan, evenmin als de rechtbank, uit de voorhanden gegevens betreffende het inkomen van appellant, opmaken dat appellant gedurende de maanden in de referteperiode waarin hij wegens ziekte niet heeft gewerkt, minder loon heeft ontvangen. De Raad stelt zich dan ook volledig achter de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.

6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en G. van der Wiel en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van T. J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) T.J. van der Torn.

JL