Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2303

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2011
Datum publicatie
26-04-2011
Zaaknummer
10-1483 WAZ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2010:BL9929
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hoger beroep van appellante is ingetrokken omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over het bedrag aan aanvullende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Prcoeskostenveroordeling: Anders dan de Staat meent kan appellante (...) aanspraak maken op een proceskostenvergoeding voor het indienen van het beroepschrift in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1483 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 januari 2010, 09/194 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) (hierna: de Staat).

Datum uitspraak: 22 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. van Andel, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Daarbij is verzocht om (aanvullende) schadevergoeding ter zake van de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Namens de Staat heeft mr. E.C. Gijselaar, advocaat te Den Haag, een verweerschrift ingediend. In dat verweerschrift is gesteld dat appellante recht heeft op een bedrag van € 4.000,- aan schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn, dat er naar aanleiding van de aangevallen uitspraak reeds een bedrag van € 2.500,- aan appellante is betaald en er derhalve aanleiding is om alsnog een aanvullende vergoeding van € 1.500,- toe te kennen.

Bij brief van 6 december 2010 is namens appellante het hoger beroep ingetrokken onder gelijktijdig verzoek aan de Raad de Staat te veroordelen in de proceskosten.

Namens de Staat is gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Bij brief van 14 januari 2011 is namens appellante een reactie op het verweerschrift gegeven.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak is de Staat veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van € 2.500,- aan appellante wegens de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Namens appellante is tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld omdat appellante zich met de toekenning van een bedrag van € 2.500,- niet in voldoende mate gecompenseerd achtte.

3. De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellante is ingetrokken omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over het bedrag aan aanvullende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

4. De Raad stelt verder vast dat appellante verzocht heeft de Staat te veroordelen met betrekking tot de door haar gemaakte kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep.

5. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling ten laste van de Staat. Volgens de Staat is er in deze procedure geen sprake van proceshandelingen die voor vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in aanmerking komen.

6.1. De Raad overweegt dat een verzoek om toepassing van artikel 8:75a van de Awb als regel dient te worden ingewilligd op grond van het feit dat het bestuursorgaan aan de bezwaren van betrokkene is tegemoetgekomen. Appellante had toen zij het beroepschrift indiende, belang bij het instellen van hoger beroep, omdat op dat moment nog niet bekend was dat er een aanvullende schadevergoeding namens de Staat zou worden aangeboden. Anders dan de Staat meent kan appellante dan ook aanspraak maken op een proceskostenvergoeding voor het indienen van het beroepschrift in hoger beroep. Aan de proceshandeling van het indienen van een beroepschrift wordt in de bijlage van het Bpb 1 punt toegekend, waarbij een wegingsfactor slechts wordt gehanteerd bij een van het gemiddelde afwijkende juridische en/of feitelijke complexiteit van de zaak. Daarvan is de Raad niet gebleken. Dit heeft tot gevolg dat het Uwv wordt veroordeeld in de kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep tot een bedrag van € 437,-.

6.2. Het verzoek tot vergoeding van de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, kan de Raad niet inwilligen omdat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak reeds is overgegaan tot toekenning van die kosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 437,-. te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.D.F. de Moor.

TM