Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2294

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2011
Datum publicatie
26-04-2011
Zaaknummer
10-113 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BU7103, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning AOW-pensioen met een korting van 64% wegens de niet verzekerde perioden van 1 juli 1958 tot en met 11 oktober 1966, van 17 november 1973 tot en met 30 juni 1989 en van 1 januari 2000 tot en met 30 juni 2008. Voorts heeft de Svb aan appellant recht op een toeslag toegekend met een korting van 50%, aangezien zijn partner in juli 2008 jonger was dan 65 jaar, maar niet verzekerd is geweest in de periode 1 juli 1972 tot en met 30 juni 2008. De Raad ziet geen aanleiding het door de Svb voor appellant vastgestelde verzekerde tijdvak van 17 oktober 1966 tot en met 15 november 1973, op grond van verrichte werkzaamheden en verblijf in Nederland, voor onjuist te houden. Uit de gedingstukken is gebleken dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) desgevraagd aan de Svb informatie heeft verstrekt over de hoogte van de WAO-uitkering van appellant. Het Uwv heeft hierbij meegedeeld dat aan appellant met ingang van 15 februari 1972 een WAO-uitkering naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% is toegekend. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, van het KB 575 van 18 oktober 1969 en het daaropvolgende artikel 1, aanhef en onder g en h, van het KB 557, welke geldig is geweest van 19 oktober 1976 tot 1 juli 1989, was degene die buiten Nederland woonde en een WAO-uitkering ontving van ten minste 45% verzekerd voor de AOW. Nu gebleken is dat appellant weliswaar een WAO-uitkering heeft ontvangen, maar niet aan de voorwaarde heeft voldaan zoals neergelegd in het KB 575 en het KB 557, kan hij niet verzekerd worden geacht over de periode van 16 november 1973 tot en met 30 juni 1989. Op 1 januari 1999 is het KB 164 opgevolgd door het KB 746. Op grond van artikel 26 van het KB 746 is appellant tot 1 januari 2000 verzekerd gebleven voor de AOW. Niet gesteld of gebleken is dat appellant gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid zich nadien vrijwillig te verzekeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/113 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2009, 09/500 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 22 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2011. Appellant is niet verschenen. De Svb was vertegenwoordigd door mr. G.J. Oudenes.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant, geboren 1 juli 1943, woont in Marokko. Bij brief van 15 april 2008 heeft hij een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd, waarbij hij heeft aangegeven dat hij tot 1 juli 2008 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) zal ontvangen.

1.3. De Svb heeft vervolgens een nader onderzoek ingesteld naar de mogelijke verzekerde tijdvakken van appellant voor de AOW. Hieruit is gebleken dat appellant gedurende 32 jaar niet verzekerd is geweest voor de AOW. De Svb heeft vervolgens bij besluit van 17 juli 2008 aan appellant met ingang van juli 2008 een AOW-pensioen toegekend met een korting van 64% wegens de niet verzekerde perioden van 1 juli 1958 tot en met 11 oktober 1966, van 17 november 1973 tot en met 30 juni 1989 en van 1 januari 2000 tot en met 30 juni 2008. Voorts heeft de Svb aan appellant recht op een toeslag toegekend met een korting van 50%, aangezien zijn partner in juli 2008 jonger was dan 65 jaar, maar niet verzekerd is geweest in de periode 1 juli 1972 tot en met 30 juni 2008.

1.4. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat het besluit van 17 juli 2008 onjuist is omdat hij gedurende lange tijd in Nederland gewerkt heeft en hij daarom het aan hem toegekende uitkeringspercentage van de ouderdomsuitkering te gering vindt. Hierop heeft de Svb in een schrijven van 6 augustus 2008 appellant verzocht om nadere argumenten aan te voeren. Van deze gelegenheid heeft appellant geen gebruik gemaakt.

1.5. Bij besluit op bezwaar van 12 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 juli 2008 ongegrond verklaard en besloten dat appellant geen recht heeft op een hoger AOW-pensioen dan in het besluit van 17 juli 2008 is vastgesteld. De Svb heeft in het bestreden besluit nader vastgesteld dat appellant niet verzekerd is geweest voor de AOW gedurende de periode van 1 juli 1958 tot en met 16 oktober 1966 omdat zijn eerste dienstbetrekking is aangevangen op 17 oktober 1966. Vervolgens heeft de Svb vastgesteld dat appellant op grond van de opeenvolgende Koninklijke Besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen (KB 575, KB 557, KB 164 en KB 746) niet verzekerd is geweest gedurende de periode van 16 november 1973 tot en met 30 juni 1989 en gedurende de periode van 1 januari 2000 tot en met 30 juni 2008.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant opnieuw aangevoerd dat hij gedurende een lange periode in Nederland heeft gewerkt en dat zijn AOW-pensioen te laag is vastgesteld.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad ziet geen aanleiding het door de Svb voor appellant vastgestelde verzekerde tijdvak van 17 oktober 1966 tot en met 15 november 1973, op grond van verrichte werkzaamheden en verblijf in Nederland, voor onjuist te houden. De Svb heeft op basis van de door appellant zelf aangeleverde gegevens omtrent zijn arbeidsverleden een zorgvuldig onderzoek ingesteld en hiertoe niet meer dan één verzekerd tijdvak kunnen vaststellen dan in het besluit van 12 januari 2009 is neergelegd. Voor zover appellant bedoeld heeft aan te voeren dat hij langer in Nederland heeft gewerkt dan hiervoor is aangegeven, oordeelt de Raad dat hij hiervoor geen enkele onderbouwing heeft gegeven.

4.2. Uit de gedingstukken is gebleken dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) desgevraagd aan de Svb informatie heeft verstrekt over de hoogte van de WAO-uitkering van appellant. Het Uwv heeft hierbij meegedeeld dat aan appellant met ingang van 15 februari 1972 een WAO-uitkering naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% is toegekend. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, van het KB 575 van 18 oktober 1969 en het daaropvolgende artikel 1, aanhef en onder g en h, van het KB 557, welke geldig is geweest van 19 oktober 1976 tot 1 juli 1989, was degene die buiten Nederland woonde en een WAO-uitkering ontving van ten minste 45% verzekerd voor de AOW. Nu gebleken is dat appellant weliswaar een WAO-uitkering heeft ontvangen, maar niet aan de voorwaarde heeft voldaan zoals neergelegd in het KB 575 en het KB 557, kan hij niet verzekerd worden geacht over de periode van 16 november 1973 tot en met 30 juni 1989.

4.3. Met ingang van 1 juli 1989 is het KB 557 vervallen en is vanaf die datum tot 1 januari 1999 het KB 164 in werking getreden. Artikel 8, tweede lid van KB 164 bepaalt dat verzekerd ingevolge de volksverzekeringen is degene, die niet in Nederland woont en recht heeft op een WAO-uitkering, indien dat recht aansluit op de verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringen dan wel op de vrijwillige verzekering ingevolge artikel 45 van de AOW, en mits die uitkering ten minste gelijk is aan 35% van het bruto minimumloon. In artikel 30 van het KB 164 is bepaald dat op degene die niet in Nederland woont en vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit niet voldeed aan artikel 1 van het KB 557, maar wel behoorde tot een in dat artikel genoemde groep van personen, KB 557 van toepassing blijft, tenzij binnen een jaar na 1 juli 1989 aan de Svb het verzoek wordt gedaan om als verzekerde ingevolge de volksverzekeringen te worden aangemerkt en vanaf 1 juli 1989 voldaan wordt aan, onder andere, artikel 8 van het KB 164. De Svb heeft aangegeven dat appellant heeft verzocht om als verzekerd aangemerkt te worden op grond van artikel 30 van het KB 164. Vanaf 1 juli 1989 is appellant dan ook weer op grond van dit koninklijk Besluit verzekerd geweest, aangezien zijn WAO-uitkering hoger was dan 35% van het minimumloon. Op 1 januari 1999 is het KB 164 opgevolgd door het KB 746. Op grond van artikel 26 van het KB 746 is appellant tot 1 januari 2000 verzekerd gebleven voor de AOW. Niet gesteld of gebleken is dat appellant gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid zich nadien vrijwillig te verzekeren.

4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van beperkingen inzake het begrip kring van verzekerden.

JL