Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2011
Datum publicatie
26-04-2011
Zaaknummer
09-6557 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toekenning kinderbijslag met terugwerkende kracht. Geen bijzonder geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6557 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 oktober 2009, 09/498 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 22 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Petkovski, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2011.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Petkovski. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk.

II. OVERWEGINGEN

1. De toenmalige Staatssecretaris van Justitie heeft bij besluit op bezwaar van 14 augustus 2008 aan appellant, die sedert 1992 in Nederland verbleef, zijn echtgenote en hun drie kinderen ([naam kind 1], geboren [in] 1995; [naam kind 2], geboren [in] 1998; [naam kind 3], geboren [in] 2006) een verblijfsvergunning verleend met ingang van 3 februari 2005.

2. Appellant heeft ten behoeve van zijn drie kinderen een op 15 oktober 2008 gedateerde aanvraag om kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ingediend. Bij besluit van 25 november 2008 heeft de Svb aan appellant ten behoeve van zijn drie kinderen met ingang van het vierde kwartaal van 2007 enkelvoudige kinderbijslag toegekend. Bij besluit van 28 november 2008 heeft de Svb geen verdere terugwerkende kracht aan deze toekenning gegeven omdat er in het geval van appellant geen bijzondere omstandigheden waren.

3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 november 2008. De Svb heeft bij besluit van 4 maart 2009 dit bezwaar ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de AKW, zodat de kinderbijslag van appellant niet met een langere terugwerkende kracht dan één jaar kan worden vastgesteld.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 4 maart 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

4.2. De rechtbank heeft aan deze ongegrondverklaring de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:

"De rechtbank is van oordeel dat de door eiser aangevoerde redenen waarom hij eerst op 15 oktober 2008 eerst een aanvraag om kinderbijslag heeft ingediend niet kunnen worden aangemerkt als een bijzonder geval. Vastgesteld moet worden dat eiser tot augustus 2008 dan wel oktober 2008 kennelijk onbekend was met zijn potentiële aanspraak op kinderbijslag. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep levert onbekendheid met wettelijke aanspraken geen bijzonder geval op (vgl. CRvB 18 november 2005, LJN: AU6503).

Kennelijk verkeerde eiser in de veronderstelling dat pas na 18 augustus 2008, toen aan eiser bekend is gemaakt dat aan hem en zijn gezinsleden met ingang van 3 februari 2005 een verblijfsvergunning werd verleend, een aanvraag om kinderbijslag kon worden ingediend. In een dergelijk geval zou op grond van eerdergenoemde uitspraak van de CRvB een bijzonder geval kunnen worden aangenomen indien eiser verweerder tijdig en in voldoende mate had geïnformeerd over de mogelijke aanspraak op een verblijfstitel en over het verloop van de procedure. Gesteld noch gebleken is dat eiser verweerder hieromtrent op enigerlei wijze heeft geïnformeerd voorafgaand aan de aanvraag op 15 oktober 2008."

5.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat in zijn geval wel sprake is van een bijzonder geval omdat hij in 2005 nog onbekend was met het feit dat hij een verblijfsvergunning zou kunnen krijgen. Volgens appellant zou, het oordeel van de rechtbank volgend, een ieder die in Nederland asiel vraagt dan wel een reguliere aanvraag op grond van de Vreemdelingenwet indient tevens een aanvraag bij de Svb moeten doen.

5.2. De Svb heeft in zijn verweerschrift verwezen naar de in overweging 4.2 vermelde uitspraak van de Raad van 18 november 2005 en heeft gesteld dat van appellant, die reeds sinds 1992 in Nederland verbleef, mocht worden verwacht dat hij op een eerder moment dan na het uiteindelijk verkrijgen van zijn verblijfsstatus de Svb zou benaderen ter veiligstelling van zijn kinderbijslagrechten.

6.1. De Raad stelt, gelet op het verhandelde ter zitting, voorop dat de in overweging 2 vermelde besluiten van 25 en 28 november 2008 als één geheel moeten worden beschouwd en tezamen betreffen de toekenning aan appellant van kinderbijslag ten behoeve van zijn drie kinderen met een niet verderstrekkende terugwerkende kracht dan van een jaar, hetgeen in dit geval betekent toekenning vanaf het vierde kwartaal van 2007. Voorts beschouwt de Raad het bezwaar als zijnde gericht tegen deze besluitvorming voor zover betreffende de daarbij vastgestelde terugwerkende kracht en zal hij het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit ook als zodanig beschouwen en beoordelen.

6.2. De Raad heeft in het hoger beroep van appellant geen aanleiding gezien een ander oordeel te geven over het bestreden besluit dan de rechtbank. De Raad merkt op dat bij de behandeling van het hoger beroep is gebleken dat, anders dan de rechtbank aannam, appellant voorheen wel op de hoogte was van de rechtsfiguur kinderbijslag. In lijn met de door de rechtbank en de Svb vermelde uitspraak van 18 november 2005 valt dan ook niet in te zien dat appellant, gegeven deze wetenschap, niet al eerder, bijvoorbeeld in 2005 – het jaar met ingang waarvan appellant blijkens het proces-verbaal van de hoorzitting de door hem gevraagde terugwerkende kracht aan de toekenning van kinderbijslag om reden van een bijzonder geval zou willen laten ingaan – de Svb had kunnen informeren over zijn mogelijke aanspraak op een verblijfsvergunning en het verloop van de procedure daarover.

6.3. Overweging 6.2 leidt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Mostert.

TM