Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2219

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2011
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
09-6274 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwarende functie en FLO. Bepalen van het aantal dienstjaren brandweerpersoneel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6274 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2009, 08/2560 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het Openbaar Lichaam Gezamenlijke Brandweer, (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 7 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2011. Appellant is vertegenwoordigd door mr. P.M. Groenhart, werkzaam bij de ACOM. Het dagelijks bestuur is (met voorafgaande berichtgeving) niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is als brandweerman/hulpverlener werkzaam bij het Openbaar Lichaam Gezamenlijke Brandweer (hierna: GB). Bij het vervullen van die functie bestond tot en met 31 december 2005 uitzicht op functioneel leeftijdsontslag (hierna: FLO) bij het bereiken van de 55-jarige leeftijd.

1.2. In de gemeentelijke CAO 2005-2007 is besloten tot afschaffing van het FLO per 1 januari 2006 en invoering van een nieuw stelsel voor werknemers in bezwarende functies. Daarbij is voor personeel dat op het moment van het vervallen van het FLO werkzaam was in een zogeheten FLO-functie overgangsrecht afgesproken. De uitwerking hiervan is bij de GB neergelegd in het Besluit bezwarende functies (hierna: BBF). Afhankelijk van het aantal dienstjaren dat een medewerker heeft gewerkt in een bezwarende functie, geldt voor hem een gunstig dan wel een minder gunstig overgangsrecht ingevolge het BBF (hierna: overgangsrecht).

1.3. Bij besluit van 25 oktober 2007 is appellant kenbaar gemaakt dat hij in het kader van het overgangsrecht is ingedeeld in de categorie: “overgangsgroep 2, bezwarende functie, geboren na 1949, minder dan 20 dienstjaren”. Daartoe heeft het dagelijks bestuur overwogen dat appellant op 1 januari 2006 11 jaren en 7 maanden aan brandweerdienstjaren had. In dat besluit is verder meegedeeld dat de jaren die appellant heeft gewerkt als brandweerman bij het ministerie van Defensie volgens de regeling niet worden meegerekend. Dit besluit is bij het bestreden besluit van 7 mei 2008 gehandhaafd nadat appellant bezwaar had gemaakt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Tussen partijen is ook in hoger beroep in geschil of de jaren waarin appellant heeft gewerkt als onderbrandwacht bij de Koninklijke luchtmacht moeten worden meegeteld bij het bepalen van het aantal dienstjaren. Als dat wel zou gebeuren, komt appellant in een andere, gunstiger, overgangsregeling. Niet is tussen partijen in geschil dat die werkzaamheden belastend zijn in de zin van de toepasselijke regelgeving.

3.2. Ingevolge artikel 2:2, aanhef en onder c, van het BBF wordt voor de toepassing van het overgangsrecht verstaan onder dienstjaren voor brandweerpersoneel: de jaren in dienst van een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, en (onder voorwaarden) de jaren werkzaam als buschauffeur of trambestuurder en als vrijwilliger bij de brandweer. Deze opsomming komt volledig overeen met artikel 9b:2, onder c, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst voor de sector gemeenten (CAR/UWO). Het dagelijks bestuur heeft op grond van het BBF het aantal dienstjaren van appellant juist vastgesteld.

3.3. Voor de stelling van appellant dat in artikel 2:2, aanhef en onder c, van het BBF niet een limitatieve opsomming is gegeven en er dus ook andere situaties onder gebracht kunnen worden, is in deze bepaling geen enkele grondslag te vinden. De Raad volgt appellant dan ook niet hierin. In afwijking van deze limitatieve opsomming is in het BBF niet voorzien.

3.4. Zoals de Raad al vaker tot uitdrukking heeft gebracht (CRvB 19 februari 1987, LJN AL7925 en TAR 1987, 106, en CRvB 3 oktober 2001, LJN AD7575, RSV 2001/280 en AB 2001, 377) zijn er echter bijzondere omstandigheden denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn.

3.5. In dat kader heeft appellant aangevoerd dat er sprake is van onevenwichtige regelgeving. Niet valt volgens hem in te zien, waarom volgens het BBF (in navolging van de CAR/UWO) bij het bepalen van de dienstjaren voor ambulancepersoneel ook de jaren bij een ambulancedienst in de particuliere sector worden meegerekend, terwijl dat niet geldt voor het brandweerpersoneel. Naar het oordeel van de Raad leidt deze beroepsgrond al daarom niet tot het door appellant gewenste gevolg, omdat ook voor ambulancepersoneel niet is bepaald dat jaren in dienst van Defensie meetellen voor de dienstjaren waarop het overgangsrecht ziet.

3.6. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij bij zijn vaste aanstelling verwachtte dat hij dezelfde rechten en plichten zou hebben als zijn collega’s. Volgens appellant had in zijn geval het dagelijks bestuur daarom gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van de regeling. Niet is echter gebleken dat bij de verlening van de vaste aanstelling, het dagelijks bestuur aan appellant toezeggingen heeft gedaan waaraan hij het vertrouwen kon ontlenen dat zijn dienstjaren bij de Koninklijke luchtmacht worden meegerekend in het kader van overgangsrecht bij afschaffing van het FLO. Overigens is de omstandigheid dat appellant als enige binnen zijn organisatie met deze problematiek wordt geconfronteerd, niet als bijzonder aan te merken.

4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) B. Bekkers.

HD