Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2081

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
21-04-2011
Zaaknummer
10-3609 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAJONG-uitkering. Het medisch onderzoek is zorgvuldig geweest en voldoende onderbouwd. Geen sprake van vooringenomenheid van het door het inschakelen van (bezwaar)verzekeringsartsen. Niet is gebleken dat de betrokken artsen een persoonlijk belang hebben bij het bestreden besluit. Appellante wordt in staat geacht met CVS enige arbeid te verrichten. Verzekeringsgeneeskundig protocol CVS is na datum in geding in werking getreden. Geen medische informatie verstrekt die doet twijfelen aan de juistheid van de opgestelde FML. Geen aanleiding een medisch deskundige te raadplegen. De geduide functies zijn terecht geschikt geacht. Geen aanleiding voor het bijstellen van de uitlooptermijn op therapeutische gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3609 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 mei 2010, 08/1364 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.K. van Briemen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij gevoegd een rapport van de bezwaarverzekeringsarts W.C. Hovy van 10 augustus 2010 en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige J. den Hartog van 12 augustus 2010.

Bij brief van 19 augustus 2010 heeft appellante de Raad een medische verklaring van haar huisarts van 4 augustus 2010 doen toekomen.

Het Uwv heeft daarop bij brief van 30 augustus 2010 gereageerd onder toezending van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Hovy van 27 augustus 2010.

Bij brief van 31 augustus 2010 heeft appellante nadere informatie verschaft.

Desgevraagd heeft het Uwv de Raad ter completering van de gedingstukken op 20 oktober 2010 afschriften van een aantal stukken toegestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2011 waar appellante en mr. Van Briemen zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontving sedert 16 januari 1994 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, die met ingang van 1 januari 1998 is omgezet in een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

1.2. Bij besluit van 7 september 2007 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 8 november 2007 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 april 2008

(hierna: bestreden besluit), waarvan deel uitmaakt het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige B. Altena van 1 april 2008, gegrond verklaard en het Uwv heeft de Wajong-uitkering per de datum in geding alsnog herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.3. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand gelaten. Voorts zijn bepalingen opgenomen over de betaling van griffierecht en proceskosten.

2. In hoger beroep heeft appellante enkel medische grieven aangevoerd en - kort samengevat - gesteld dat niet of onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten en dat haar belastbaarheid wordt overschat. Een urenbeperking van gemiddeld 4 uur per dag en 20 uur per week, zoals deze is opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 19 februari 2008, acht zij ontoereikend. Zij stelt zich op het standpunt niet in staat te zijn arbeid te verrichten, omdat er geen sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden, althans omdat die er slechts in zeer beperkte mate zijn. Appellante heeft erop gewezen dat de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom (hierna: CVS) is gesteld en dat er tevens sprake is van een slaapstoornis (delayed sleep phase syndrome; hierna: DSPS). Naar de mening van appellante is onvoldoende gemotiveerd dat voor deze twee ziektes beperkingen zijn aangenomen en dat deze zijn verdisconteerd in de mate van belastbaarheid. In dit verband heeft zij gewezen op de uitspraak van de Raad van 27 maart 2009, LJN BI0848. Voorts heeft appellante aangevoerd een verhoogde allergische gevoeligheid te hebben, bijvoorbeeld voor huisstofmijt, waarvoor zij het alleen op recept verkrijgbare medicijn beconase gebruikt. Tijdens haar tienerjaren is de allergische overgevoeligheid vastgesteld door de KNO-arts Siemeling van het Hofpoort ziekenhuis in Woerden, maar omdat dit al lang geleden is kan zij daarvan geen concrete gegevens verstrekken. Het onderzoek van het Uwv is onvoldoende zorgvuldig geweest, er had nadere medische informatie opgevraagd kunnen worden bij haar huisarts.

3. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat met de klachten van appellante en de informatie die werd verkregen uit de behandelend sector bij de besluitvorming voldoende rekening is gehouden en dat afdoende is gemotiveerd waarom geen volledige urenbeperking meer aangewezen is. Gewezen is op de rapporten van de bezwaarverzekeringsartsen R.A. Admiraal van 15 februari 2008 en 23 mei 2008, O.C. van Oostrum van 18 mei 2009, A.D.C. Huijsmans van 10 augustus 2009 en W.C. Hovy van 10 augustus 2010 en 27 augustus 2010. Reeds uit het rapport van de verzekeringsarts W. Langerak van 4 mei 2007 blijkt dat informatie van de huisarts beschikbaar was. De bezwaarverzekeringsarts Admiraal heeft op basis van de beschikbare informatie geen aanleiding gevonden de FML - waarin ten aanzien van appellante in beduidende mate beperkingen zijn aangenomen - te herzien als door appellante gewenst. Wat de door appellante in hoger beroep ingebrachte informatie betreft, heeft de bezwaarverzekeringsarts Hovy in zijn rapport van 27 augustus 2010 vermeld dat de medische verklaring van de huisarts van 4 augustus 2010 geen nieuwe medische gegevens inhoudt die in verzekeringsgeneeskundige zin een ander licht op de belastbaarheid van appellante werpen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Gelet op de inhoud van het hoger beroep stelt de Raad vast dat appellante in hoger beroep is gekomen van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij door de rechtbank is geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

4.2. De Raad onderschrijft hetgeen met betrekking tot de medische grondslag in de aangevallen uitspraak is overwogen en ziet evenals de rechtbank geen aanleiding de rapporten van de bezwaarverzekeringsartsen Admiraal, Van Oostrum, die appellante onderzocht op 20 april 2009, Huijsmans en Hovy niet te volgen. Uitgaande van deze rapporten kan worden geoordeeld dat het medisch onderzoek uiteindelijk zorgvuldig is geweest en voldoende is onderbouwd. Anders dan appellante stelt, is er geen sprake van vooringenomenheid van het Uwv als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door het inschakelen van (bezwaar)verzekeringsartsen. Niet is gebleken dat de betrokken artsen een persoonlijk belang hebben bij het bestreden besluit in de zin van het tweede lid van dit artikel.

4.3. Wat betreft de gediagnosticeerde CVS hebben de verzekeringsarts Langerak in het rapport van 4 mei 2007 en de bezwaarverzekeringsarts Van Oostrum in het rapport van 18 mei 2009 reeds aangegeven dat deze diagnose niet wegneemt dat appellante wel in staat moet worden geacht tot zinvolle activiteiten. Ook bezien in combinatie met de slaapproblemen van appellante, zo begrijpt de Raad het standpunt van de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen, achten deze artsen appellante in staat enige arbeid te verrichten. Een medische onderbouwing voor de stelling van appellante dat zij ten tijde in geding DSPS had, ontbreekt. Naar aanleiding van het door appellante ingenomen standpunt dat de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv het Verzekeringsgeneeskundig protocol CVS (regeling van 31 januari 2006, Stcrt 2006, 33), zoals gewijzigd en aangevuld op 2 juli 2007 (Stcrt 2007, 146) niet hebben nageleefd, overweegt de Raad dat dit protocol eerst ingaande 1 januari 2008 van toepassing is en dus gelet op de datum in geding, 8 november 2007, in deze procedure niet relevant is. De Raad wijst hierbij op zijn uitspraak van 16 juli 2010, LJN BN2903.

4.4. In het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Hovy van 10 augustus 2010 is naar het oordeel van de Raad afdoende gereageerd op de allergieklachten van appellante. De namens appellante overgelegde informatie over haar medicijngebruik brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Een concrete, medische onderbouwing van haar standpunt over de allergie voor huisstofmijt in directe relatie tot de datum in geding ontbreekt. In de medische verklaring van de huisarts van 4 augustus 2010 wordt geen melding gemaakt van enige vorm van allergie.

4.5. Vastgesteld kan worden dat appellante geen medische informatie heeft verstrekt die doet twijfelen aan de juistheid van de opgestelde FML van 19 februari 2008. Ook de nader overgelegde medische verklaring van de huisarts van 4 augustus 2010 geeft de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. Een standpuntbepaling over de medische beperkingen van appellante wat betreft de hier van belang zijnde datum 8 november 2007 is daarin niet gegeven. Voor het aannemen van meer of verdergaande beperkingen voor appellante ziet de Raad geen grond. Alle relevante medische informatie is in ogenschouw genomen en daarop is adequaat en gemotiveerd gereageerd door de bezwaarverzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekerings-arts Admiraal reeds terecht geconcludeerd dat er geen indicatie was voor het inwinnen van nadere informatie bij de huisarts. Op basis van de beschikbare informatie was de medische situatie van appellante per 8 november 2007 bekend. Niet valt in te zien dat de rechtbank niet tot een afgewogen beslissing over de datum in geding heeft kunnen komen.

4.6. Voor zover appellante - onder verwijzing naar artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden - meent dat een onafhankelijk medisch onderzoek is aangewezen en verzoekt om benoeming van een (medisch) deskundige als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:47 van de Awb, is de Raad van oordeel dat hij op basis van de voorhanden informatie voldoende is voorgelicht om thans zonder onderzoek door een deskundige tot een oordeel te komen. Aan het verzoek van appellante om alsnog advies in te winnen bij een medisch deskundige zal de Raad derhalve niet voldoen.

4.7. Naar het oordeel van de Raad is de stelling van appellante dat zij geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden heeft, afdoende weerlegd door de bezwaarverzekeringsartsen Van Oostrum (in het rapport 18 mei 2009) en Huijsmans (in het rapport van 10 augustus 2009). Er is voldoende rekening gehouden met de beperkingen van appellante, onder andere door het stellen van een urenbeperking van maximaal (gemiddeld) 4 uur per dag en 20 uur per week. Ten aanzien van deze urenbeperking merkt de Raad op dat het enkele feit dat in het verleden een volledige urenbeperking is aangenomen, niet betekent dat deze bij een nieuwe arbeidsongeschiktheidsbeoordeling als hier aan de orde onveranderd van toepassing moet worden geacht. Zie de uitspraak van de Raad van 29 september 2010, LJN BN9362.

4.8. De berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 8 november 2007 is volgens het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige B. Altena van 1 april 2008 gebaseerd op de functies productiemedewerker industrie (samenstellen van producten; Sbc-code 111180), assistent consultatiebureau (Sbc-code 372091), huishoudelijk medewerker (Sbc-code 111333) en productiemedewerker textiel, geen kleding (Sbc-code 272043). Uitgaande van de juistheid van de op 19 februari 2008 vastgestelde FML is de Raad van oordeel dat de belasting in deze aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellante niet te boven gaat. Deze functies zijn dan ook op medische gronden terecht geschikt geacht voor appellante. Het Uwv heeft zijn standpunt dienaangaande afdoende gemotiveerd, zoals blijkt uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Altena van 1 april 2008. In voldoende mate en op een juiste wijze is bij de aan appellante voorgehouden functies rekening gehouden met alle hier van belang zijnde beperkingen.

4.9. Niet is bestreden dat de nu geduide functies voldoende in het verlengde liggen van de eerder geduide functies en dat appellante reeds bij het primair besluit een op grond van vaste jurisprudentie van de Raad aanvaardbare uitlooptermijn heeft gekregen. Voor het alsnog bijstellen van deze uitlooptermijn op therapeutische gronden als door appellante ter zitting verzocht, ziet de Raad geen aanleiding.

4.10. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit dan ook terecht de herziening van de Wajong-uitkering van appellante per 8 november 2007 bepaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Dit leidt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

CVG