Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2075

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
21-04-2011
Zaaknummer
10-152 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op toeslag, gelet op de inkomsten uit zelfstandigheid. Terugvordering. Verhoging terugvordering met loonheffing. Beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalt. Geen sprake van een ondubbelzinnige, schriftelijke mededeling van het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/152 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 30 november 2009, 09/359 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2011. Namens appellante is mr. Dieters verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is met ingang van 1 oktober 1996 een uitkering op grond van de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschikten (BIA) toegekend. In aanvulling op deze uitkering heeft zij vanaf 22 maart 2004 in de vorm van voorschotten een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) ontvangen.

1.2. Bij besluit van 4 december 2008 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij, gelet op de inkomsten uit zelfstandigheid over de jaren 2005, 2006 en 2007, over de periode van 16 mei 2005 tot en met 31 december 2007 geen recht meer heeft op toeslag.

1.3. Bij het (gewijzigde) besluit van 16 december 2008 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat met toepassing van artikel 20 van de TW de over de periode van 16 mei 2005 tot en met 31 december 2007 onverschuldigd betaalde uitkering tot een bedrag van € 8.764,33 bruto van haar wordt teruggevorderd. Bij besluit van 1 januari 2009 is het terug te vorderen bedrag verhoogd met € 123,17 aan loonheffing.

1.4. Bij besluit van 13 maart 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 4 december 2008, 16 december 2008 en 1 januari 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat haar inkomsten uit een eigen bedrijf, naast haar inkomsten uit de BIA-uitkering, invloed zouden kunnen hebben op haar recht op toeslag en dat zij geheel of gedeeltelijk ten onrechte toeslag heeft ontvangen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat uit het feit dat het Uwv pas in een laat stadium tot herziening van de toeslag is overgegaan, niet afdoet aan de uit artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder b, van de TW voortvloeiende verplichting om tot herziening over te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante geen omstandigheden aangevoerd die een dringende reden zouden kunnen opleveren om van terugvordering af te zien.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de financiële positie van haar en haar echtgenoot marginaal is en dat de inkomsten uit het landbouwbedrijf met regelmaat een negatief resultaat opleverden, zodat zij ervan uit is gegaan dat zij steeds aan haar verplichtingen heeft voldaan. Omdat het Uwv gedurende vier jaar geen definitief besluit over haar recht op toeslag heeft vastgesteld en gelet op het inkomen, dat nauwelijks het bestaansminimum overschrijdt, had het Uwv volgens haar moeten afzien van herziening of matiging moeten toepassen, in welk verband een beroep wordt gedaan op het rechtszekerheidsbeginsel.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante in de periode van 16 mei 2005 tot en met 31 december 2007 inkomsten heeft genoten uit de uitoefening van een zelfstandig bedrijf. Niet in geding is dat het Uwv over die periode aan appellante onverschuldigd toeslag heeft betaald. Evenmin is de hoogte van het terugvorderingsbedrag in geding. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of het Uwv op grond van het rechtszekerheidsbeginsel van herziening van het recht op toeslag en geheel of gedeeltelijk van terugvordering had dienen af te zien.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, onder meer zijn uitspraak van 1 maart 2005, LJN AT1551, kan een beroep op schending van het rechtszekerheidsbeginsel slechts doel treffen in die gevallen waarin kan worden gewezen op een ondubbelzinnige, schriftelijke mededeling van het uitvoeringsorgaan, aan welke mededeling geen onjuiste of onvolledige inlichtingen van betrokkene debet waren of dat de onjuistheid van dat standpunt door betrokkene anderszins niet had behoren te zijn onderkend.

4.3. De Raad vindt in het licht van het evenomschreven toetsingskader in de onderhavige zaak geen aanknopingspunten om het standpunt van appellante te volgen dat sprake is van schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Van een ondubbelzinnige, schriftelijke mededeling van het Uwv als bedoeld onder 4.2 is reeds geen sprake. Vast staat dat appellante op de door haar ingevulde 4-wekenverklaringen WW en werkbriefjes WW over de in geding zijnde periode geen melding heeft gemaakt van werkzaamheden en inkomsten van haarzelf en/of haar echtgenoot. Daarmee is appellante de in artikel 12 van de TW genoemde inlichtingenplicht niet nagekomen. Naar het oordeel van de Raad had het appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen en moeten zijn dat die inkomsten van invloed zouden kunnen zijn op haar recht op toeslag. Op de omstandigheid dat het Uwv eerst in 2008 tot herziening is overgegaan, kan appellante zich evenmin beroepen nu zij uit eigen beweging niet eerder informatie over haar inkomsten heeft verstrekt en eerst in 2008 op verzoek van het Uwv jaarstukken heeft overgelegd. Van schending van het rechtszekerheidsbeginsel is naar het oordeel van de Raad dan ook geen sprake.

4.4 Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht heeft besloten om het recht op toeslag van appellante met toepassing van artikel 11a van de TW over de periode van 16 mei 2005 tot en met 31 december 2007 te herzien en met toepassing van artikel 20 van de TW tot terugvordering van het in die periode onverschuldigd betaalde bedrag over te gaan.

4.5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

CVG