Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2068

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2011
Datum publicatie
21-04-2011
Zaaknummer
09-1026 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Beoordelingsperiode. 1) Huisbezoek. Redelijke grond voor huisbezoek. Geen sprake van een verdergaande inbreuk op het huisrecht van appellante dan waarvoor reeds voldoende rechtvaardiging aanwezig was. Geen grond voor het oordeel dat de onderzoeksbevindingen van het huisbezoek, waaronder de door appellante afgelegde verklaring, bij de beoordeling van het recht op (voortzetting van de) bijstand als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing dienen te blijven. 2) Gezamenlijke huishouding. Wederzijdse zorg. Voldoende beheersing Nederlandse taal om appellante aan haar verklaring te houden. 3) Proceskosten eerste aanleg. Beroep ingesteld tegen het uitblijven van besluit op bezwaar.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 3
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 53a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1026 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 februari 2009, 08/8440 en 09/4 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante hebben mr. M.L.M. Klinkhamer en mr. L. Orie, werkzaam bij juridisch adviesbureau Legal4People, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2011. Voor appellante is mr. Klinkhamer verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten, omstandigheden en toepasselijke wet- en regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante ontving sinds 1 augustus 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. De Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten, Afdeling Bijzonder Onderzoek, van de gemeente ’s-Gravenhage heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft op 17 juli 2008 een onaangekondigd huisbezoek plaatsgevonden op het woonadres van appellante, waarbij zij is gehoord en een verklaring heeft afgelegd. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 22 juli 2008.

1.3. Bij besluit van 5 augustus 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 januari 2009, heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2008 beëindigd (lees: ingetrokken). Daaraan is, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat appellante bij het College geen melding heeft gemaakt van het voeren van een gezamenlijke huishouding met [M.] (hierna: [M.]).

1.4. Op 4 januari 2009 heeft appellante een beroepschrift ingediend tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar. Nadien is tevens beroep ingesteld tegen het op 13 januari 2009 verzonden besluit op bezwaar van 5 januari 2009.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) het beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 5 januari 2009 ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat geen redelijke grond bestond voor een onaangekondigd huisbezoek, dat tijdens het huisbezoek het doel van het huisbezoek is gewijzigd, dat appellante niet aan de door haar ondertekende verklaring kan worden gehouden, dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding en - zo daarvan wel sprake was - het College tevens had dienen te bezien of voor appellante en [M.] recht bestond op bijstand naar de gehuwdennorm en ten slotte dat de rechtbank het College ten onrechte niet in de proceskosten heeft veroordeeld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt eerst vast dat het College de intrekking van de bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Naar vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat in dit geval de periode van 1 juli 2008 tot en met 5 augustus 2008 ter beoordeling voorligt.

4.2. Het huisbezoek

4.2.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 24 november 2009, LJN BK4064) is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek indien voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

4.2.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in dit geval een redelijke grond voor het huisbezoek aanwezig was. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de meerderjarige zoon van appellante (hierna: [M.]) volgens de gegevens van de Gemeentelijke basisadministratie sinds 26 augustus 2005 niet meer op het woonadres van appellante stond ingeschreven, dat de voormalige partner van [M.], [K.] (hierna: [K.]) tijdens een huisbezoek op 13 maart 2008 aan het adres van [K.] heeft verklaard dat [M.] bij appellante inwoont en dat uit de gegevens van Suwi-net is gebleken dat [M.] inkomsten uit arbeid ontvangt via Intro uitzendbureau, waarbij als woonadres het adres van appellante is opgegeven. Anders dan appellante ziet de Raad in de omstandigheid, dat tijdens het aldus rechtmatig aangevangen huisbezoek het onderzoek niet beperkt is gebleven tot het onderwerp medebewoning door de zoon van appellante maar zich mede heeft uitgestrekt tot de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding van appellante met [M.], evenmin een beletsel om de onderzoeksbevindingen (waaronder de verklaring van appellante) buiten beschouwing te laten. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat het huisbezoek van meet af aan erop gericht was duidelijkheid te verkrijgen over de feitelijke woon- en leefsituatie van appellante en dat tijdens het huisbezoek [M.] en diens persoonlijke bezittingen in de woning werden aangetroffen. Die aanwezigheid vormde, in het licht van appellantes opgave alleenstaand te zijn, voor het College terecht een aanknopingspunt voor nader onderzoek naar de juistheid van die opgave. Ten slotte is van belang dat geen sprake was van een verdergaande inbreuk op het huisrecht van appellante dan waarvoor, gelet op het voorgaande, reeds voldoende rechtvaardiging aanwezig was. De Raad ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de onderzoeksbevindingen van het huisbezoek, waaronder de door appellante afgelegde verklaring, bij de beoordeling van het recht op (voortzetting van de) bijstand als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing dienen te blijven.

4.3. De gezamenlijke huishouding

4.3.1. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellante en [M.] ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante en dat sprake was van wederzijdse zorg. Ook de Raad ziet geen aanleiding de juistheid van de door appellante ondertekende verklaring in twijfel te trekken. Dat appellante de Nederlandse taal onvoldoende beheerste om haar aan deze verklaring te houden, acht de Raad niet aannemelijk gemaakt. De Raad wijst er in dat verband nog op dat appellante in 2005 nog een taalvaardigheidstest heeft afgelegd waarbij zij de Nederlandse taal voldoende, op niveau 2, beheerste om deel te nemen aan een traject bij Werkkompas. Overigen strookt, blijkens de stukken, de door appellante afgelegde verklaring met die van [M.].

4.3.2. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de Raad voldoende komen vast te staan dat appellante en [M.] gedurende de in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB. Dit betekent dat appellante ten tijde hier van belang geen zelfstandig subject was van bijstand en derhalve geen recht meer had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

4.3.3. Appellante heeft van de gezamenlijke huishouding geen melding gemaakt bij het College, zodat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Het College was derhalve bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2008 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.3.4. Voorts is de Raad van oordeel dat, anders dan appellante meent, het College in een geval als het onderhavige niet gehouden is ambtshalve na te gaan of mogelijk vanaf 1 juli 2008 nog aanspraak bestaat op bijstand naar de gehuwdennorm. De Raad volstaat hier met verwijzing naar zijn vaste rechtspraak op dit punt. Zie onder meer de uitspraken van 12 oktober 2004, LJN AR4967 en van 10 april 2007, LJN BA3021. Dat appellante later, nadat [M.] zich op het adres van appellante had laten inschrijven, bij brief van 15 oktober 2008 verzocht heeft per 23 september 2008 de bijstandsnorm te wijzigen in de gehuwdennorm doet aan het voorgaande niet af, reeds omdat dit ziet op een periode die ligt buiten de hier ter beoordeling staande periode.

4.4. De proceskosten in eerste aanleg

4.4.1. Appellante heeft op 4 januari 2009, enige tijd na het verstrijken van de beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar, beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Gelet op het bepaalde in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, was appellante op grond van het enkele feit dat het College de voor hem geldende beslistermijn had laten verstrijken gerechtigd om tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep in te stellen. Reeds hierin ligt besloten dat in beginsel op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb een proceskostenveroordeling ten laste van het College aan appellante wordt toegekend. Van de zijde van het College is nog naar voren gebracht dat twee hoorzittingen hebben plaatsgevonden, dat appellante daarna nog in de gelegenheid is gesteld het bezwaar nader aan te vullen, dat de feestdagen voor vertraging hebben gezorgd en dat vooraf had kunnen worden gevraagd wanneer het besluit kon worden tegemoet gezien. De Raad ziet hierin geen grond voor een ander oordeel, te minder nu het College er kennelijk van heeft afgezien de beslissing op bezwaar tussentijds te verdagen.

4.4.2. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het College ter zake alsnog veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg. Naar vaste rechtspraak wordt bij het op goede gronden instellen van beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar de wegingsfactor zeer licht (0,25 punt) toegepast. De Raad zal dan ook bepalen dat het College de proceskosten in beroep tot een bedrag van (0,25 x € 322,-- =) € 80,50 aan appellante vergoedt.

5. De Raad ziet tevens aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, in zoverre daarbij geen proceskostenveroordeling is uitgesproken wegens het instellen van beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van

€ 80,50;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.M. van Gorkum.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD