Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2054

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2011
Datum publicatie
21-04-2011
Zaaknummer
09/42 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Beoordelingsperiode. Beroep op Salduz-arrest faalt. Er is hier geen sprake van een strafrechtelijke procedure. Dat appellant bij het afleggen van zijn verklaring geen bijstand heeft gehad van een raadsman, leidt er niet toe dat hij niet aan verklaring kan worden gehouden. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/42 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 november 2008, 08/1639 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.G.A.M. Halfers, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Halfers. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. Ter zitting is de door appellant meegebrachte [naam getuige], wonende te [naam gemeente], gehoord.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 1 juli 1998 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant niet woonachtig is op het door hem opgegeven adres, [adres 1] te [naam gemeente], heeft het College een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer op 3 oktober 2007 een huisbezoek op het adres van appellant afgelegd. Tevens heeft appellant op 12 oktober 2007 een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek, die zijn neergelegd in een rapport van 4 oktober 2007, zijn voor zover hier van belang voor het College aanleiding geweest om bij besluit van

15 oktober 2007 de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2007 te beëindigen (lees: in te trekken). Tevens heeft het College bij besluit van 17 oktober 2007 de aan appellant verleende bijstand over de periode van 1 juni 2007 tot en met 30 september 2007 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.314,79 van hem teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het College, onder verwijzing naar de artikelen 17, eerste lid, en 40, eerste lid, van de WWB, ten grondslag gelegd dat appellant anders dan door hem opgegeven niet meer in de gemeente [naam gemeente] woonachtig is.

1.3. Bij besluit van 28 januari 2008, voor zover van belang, heeft het College de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 15 oktober 2007 en 17 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank voor zover van belang het beroep van appellant tegen het besluit van 28 januari 2008, voor zover het de intrekking en terugvordering van bijstand betreft, ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen dit onderdeel van de uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College bij besluit van 15 oktober 2007 de intrekking van bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Gelet voorts op het intrekkingsbesluit van 17 oktober 2007 dient de Raad in dit geval de periode van 1 juni 2007 tot en met 15 oktober 2007 te beoordelen.

4.2. Op grond van artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellant ten tijde hier van belang geen woonplaats had in de gemeente [naam gemeente]. De Raad hecht daarbij betekenis aan de door appellant op 12 oktober 2007 afgelegde verklaring, inhoudende dat hij sedert

1 juni 2007 woonachtig is op het adres [adres 2] te [naam gemeente 2]. De Raad acht voorts van belang dat de verklaring van appellant wordt ondersteund door de overige onderzoeksbevindingen, waaronder de bevindingen van het op 3 oktober 2007 afgelegde huisbezoek. Tijdens dit huisbezoek is [V.] (hierna: [V.]) in de woning aangetroffen, die bij deze gelegenheid heeft verklaard reeds zes jaar de enige bewoner van de betreffende woning te zijn. De door appellant gegeven verklaring voor de aanwezigheid van [V.] in de woning - [V.] zou daar logeren - acht de Raad, mede gelet op de in de woning aangetroffen persoonlijke bezittingen van [V.], niet aannemelijk.

4.4. Appellant heeft onder verwijzing naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 27 november 2008, 36391/02 (hierna: Salduz-arrest), LJN BH0402, betoogd dat hij niet aan zijn op 12 oktober 2007 afgelegde verklaring kan worden gehouden, omdat hij op dat moment niet in de gelegenheid was gesteld zich te laten bijstaan door een raadsman. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 19 mei 2009, LJN BI6036) gaat het in een zaak als de onderhavige, waarin intrekking en terugvordering van bijstand aan de orde is, niet om een strafrechtelijke procedure, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden zich niet tot appellant uitstrekt.

4.5. De Raad volgt appellant evenmin in zijn stelling dat hij niet aan de op 12 oktober 2007 afgelegde verklaring mag worden gehouden, omdat deze onder ontoelaatbare druk is afgelegd. De Raad wil aannemen dat appellant, mede als gevolg van de door hem aangevoerde persoonlijke omstandigheden, enige druk heeft ervaren, maar de Raad is niet gebleken dat hij zijn verklaring niet in vrijheid dan wel onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellant de verklaring, na voorlezing, zonder voorbehoud heeft ondertekend, waarbij hij expliciet heeft aangegeven de verklaring vrijwillig te hebben afgelegd.

4.6. De Raad gaat voorbij aan de eerst ter zitting - en dus tardief - ingebrachte grond met betrekking tot de juistheid van hetgeen tijdens het huisbezoek is geconstateerd. Tot slot acht de Raad van belang dat appellant per 15 oktober 2007 de huur van de woning op het adres [adres 1] te [naam gemeente] heeft opgezegd en zich op 24 oktober 2007 in de Gemeentelijke Basisadministratie heeft laten inschrijven op het adres [adres 2] te [naam gemeente 2]. Het gegeven dat appellant de huuropzegging naderhand ongedaan heeft gemaakt doet aan het vorenstaande niet af.

4.7. Met betrekking tot de verklaring van de ter zitting gehoorde getuige stelt de Raad vast dat deze in belangrijke mate niet op eigen wetenschap berust, zodat aan deze verklaring reeds daarom geen bewijskracht toekomt.

4.8. Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat appellant in strijd met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting aan het College onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over zijn woonsituatie met als gevolg dat hem ten onrechte bijstand is verleend. Dit betekent dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de aan appellant verleende bijstand over de periode van 1 juni 2007 tot en met 15 oktober 2007. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij de afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid van die bevoegdheid geen gebruik heeft kunnen maken. Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat de Raad de terugvordering verder buiten bespreking zal laten.

4.9. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD