Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1970

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2011
Datum publicatie
21-04-2011
Zaaknummer
10-4491 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Herbeoordeling op grond van de oude regels blijft mogelijk. Geen aanleiding om het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en te concluderen dat de beperkingen van appellante op de datum in geding zijn onderschat. Geen reden voor het stellen van een urenbeperking. De belasting van de functies overschrijdt de vastgestelde belastbaarheid voor arbeid van appellante niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4491 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], België (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2010, 09/4114 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Tevens heeft het Uwv een rapportage van 21 januari 2011 van bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff overgelegd. Op deze rapportage heeft appellante bij brief, ontvangen door de Raad op 4 februari 2011, gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2011. Appellante is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. M.P.W.M. Wiertz.

II. OVERWEGINGEN

1. In februari 2003 is bij appellante darmkanker vastgesteld en is zij hiervoor behandeld. Appellante is per 22 februari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, destijds berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

2.1. Appellante heeft op het door haar op 22 december 2008 ondertekende formulier ‘Wijzigingen doorgeven’, aangegeven dat haar gezondheid per 16 november 2008 is verslechterd. In december 2008 is angina pectoris vastgesteld en is een hartkatheterisatie verricht.

2.2. Ten einde de belastbaarheid van appellante voor arbeid vast te stellen heeft verzekeringsarts K.J.J. Luyten dossierstudie verricht en appellante onderzocht tijdens het spreekuur op 11 maart 2009. De verzekeringsarts heeft aan de hand van dit onderzoek en de informatie van behandelend cardioloog dr. B. Vanhauwaert vastgesteld dat appellante vier weken na 16 november 2008 niet beschikte over duurzaam benutbare mogelijkheden, maar per 11 maart 2009 wel. De belastbaarheid en beperkingen van appellante voor arbeid heeft de verzekeringsarts vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 maart 2009. Arbeidsdeskundige B. van Lieshout heeft op 30 maart 2009 het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd en heeft - rekening houdende met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid en beperkingen voor arbeid - appellante geschikt geacht voor onder andere de functies schadecorrespondent, beginnend administratief medewerker en beginnend boekhouder/loonadministrateur. Bij vergelijking van hetgeen appellante voorheen kon verdienen (de zogenaamde maatman) met de theoretische verdiencapaciteit heeft de arbeidsdeskundige een verlies van 31,74% vastgesteld. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 7 mei 2009 - na een wachttijd van vier weken - de WAO-uitkering van appellante per 14 december 2008 herzien naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en bij afzonderlijk besluit van eveneens

7 mei 2009 de WAO-uitkering per 23 juni 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2.3. Bij besluit van 6 augustus 2009 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen de verlaging van haar WAO-uitkering in het besluit van 7 mei 2009, onder verwijzing naar de rapportages van bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff van 20 juli 2009 en bezwaararbeidsdeskundige S.C. Kuiken van 5 augustus 2009, door het Uwv ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt volgens de rechtbank omdat het Uwv in een brief van 16 december 2004 aan appellante uitdrukkelijk heeft aangegeven dat herbeoordeling op grond van de oude regels mogelijk blijft, indien zich veranderingen voordoen in de gezondheid of het inkomen van appellante. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts beschikten volgens de rechtbank over voldoende informatie om tot een zorgvuldige beoordeling te kunnen komen. Uit de brieven van cardioloog Vanhauwaert van 28 augustus 2009 en van

2 december 2009 blijkt niet dat appellante meer beperkt had moeten worden geacht. Nu geen verdere medische informatie door appellante is overgelegd waaruit volgt dat zij meer beperkt moet worden geacht en niet is gebleken dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan diens rapportage van 20 juli 2009.

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag berust. De rechtbank is daarnaast niet gebleken dat de belasting van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellante overschrijdt.

4. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald. Zij is ten minste 65% arbeidsongeschikt. Gezien haar leeftijd en klachten is zij niet in staat de geduide functies te verrichten. Bovendien had zij vanwege haar leeftijd volgens de brief van het Uwv van 16 december 2004, niet herkeurd mogen worden. De verzekeringsartsen van het Uwv zijn volgens appellante niet in staat om haar belastbaarheid vast te stellen. De verzekeringsarts is ten onrechte voorbij gegaan aan de gevolgen van het darmcarcinoom, zij staat nog steeds onder controle van een oncoloog. Voorts heeft de verzekeringsarts haar belastbaarheid als gevolg van haar hart- en vaatklachten en dagelijks voorkomende hevige hartkloppingen, onjuist vastgesteld. Appellante verwijst naar de informatie van haar cardioloog. Ook met haar incontinentieklachten is onvoldoende rekening gehouden. Daarnaast had zij in juni 2009 opnieuw medisch beoordeeld moeten worden door een verzekeringsarts. In de re-integratievisie van 16 april 2009 is bovendien volgens appellante een grove fout gemaakt door niet in te vullen dat zij op dat moment 100% arbeidsongeschikt was. Ter zitting heeft appellante een brief overgelegd van uroloog

dr. P. Meylaerts van 25 februari 2011.

5.1. De Raad overweegt het volgende.

5.2. De grief van appellante dat zij aan de brief van 16 december 2004 de gerechtvaardigde verwachting mocht ontlenen dat zij niet meer zou worden herbeoordeeld ingevolge de WAO slaagt niet. De Raad verwijst evenals de rechtbank naar zijn jurisprudentie op dit punt en verwijst naar overweging 3.2 en 3.3 van de rechtbank die hij tot de zijne maakt. In de brief van 16 december 2004 staat uitdrukkelijk vermeld dat een herbeoordeling op grond van de oude regels mogelijk blijft, indien er veranderingen plaatsvinden in de gezondheid of het inkomen van appellante dan wel in het geval dat een herbeoordeling het Uwv nodig lijkt. Appellante is in de onderhavige procedure naar aanleiding van het door haar ingevulde formulier ‘Wijzigingen doorgeven’ herbeoordeeld op grond van het Oude Schattingsbesluit, zoals dat gold tot

1 oktober 2004.

5.3. Ten aanzien van de re-integratievisie van 16 april 2009 merkt de Raad op dat deze is opgesteld naar aanleiding van de herbeoordeling in maart 2009. In deze re-integratievisie wordt uitgegaan van de door arbeidsdeskundige Van Lieshout in zijn rapport van 16 april 2009 vastgestelde theoretische mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Dat de WAO-uitkering per 23 juni 2009 is verlaagd is het gevolg van de voorgeschreven uitlooptermijn van twee maanden. In dit licht bezien kan ook de grief van appellante dat zij in juni 2009 opnieuw medisch onderzocht had moeten worden, niet slagen.

5.4.1. Het is voor appellante onbegrijpelijk dat ondanks de opgetreden (hart)klachten de verzekeringsarts stelt dat haar beperkingen, met name ten aanzien van de urenbeperking, per maart 2009 zijn afgenomen. Ten aanzien van de medische beoordeling is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig te achten en te concluderen dat de beperkingen van appellante op de datum in geding zijn onderschat. In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe medische gegevens overgelegd die aanleiding geven voor twijfel aan dit oordeel wat betreft de datum in geding.

5.4.2. Appellante heeft ten aanzien van de in 2003 vastgestelde darmkanker volgens de verzekeringsarts aangegeven dat zij in oktober 2008 door een oncoloog is onderzocht en dat er toen geen recidief is gevonden. De beperkingen als gevolg van de darmkanker zijn volgens de verzekeringsarts afgenomen en er is geen aanleiding meer voor een urenbeperkingen tot 6 uur per dag en 20 uur per week. Bezwaarverzekeringsarts Van Hooff heeft in de rapportage van 20 juli 2009 toegelicht dat er uit verzekeringsgeneeskundig oogpunt geen reden is voor het stellen van een urenbeperking. Als appellante rekening houdt met de vastgestelde beperkingen is er geen reden te veronderstellen dat appellante dit niet gedurende 8 uur per dag zou kunnen volhouden. Appellante heeft geen gegevens overgelegd van haar behandelend oncoloog waaruit geconcludeerd kan worden dat dit standpunt onjuist is.

5.4.3. Ten aanzien van de hartklachten heeft de verzekeringsarts in overeenstemming met de diagnose van de behandelend cardioloog rekening gehouden met de beperkingen van appellante. Bezwaarverzekeringsarts Van Hooff heeft bij rapportage van 21 januari 2011 een aanvullende reactie gegeven op de brief van cardioloog Vanhauwaert van 2 december 2009 en aangegeven dat er sprake is van een normale ventrikelfunctie waardoor gesteld kan worden dat appellante niet zo zwaar beperkt is. De hartklachten geven volgens de bezwaarverzekeringsarts dan ook geen aanleiding voor een urenbeperking. Daarnaast blijkt uit de brief van Vanhauwaert dat appellante last heeft van hartkloppingen. Bij de 24-uurs registratie werd een normaal ritme gevonden en supraventriculaire axtrasystolen die zeldzaam voorkwamen. Dit is volgens Van Hooff geen ernstige aandoening en deze klachten zijn ontstaan na de datum in geding, zoals appellante ook heeft bevestigd ter zitting bij de Raad. De hartkloppingen kunnen dan ook niet leiden tot beperkingen op de datum in geding.

5.4.4. Ten aanzien van de op 4 februari 2011 door de Raad ontvangen bloedresultaten is namens het Uwv ter zitting van de Raad verklaard dat volgens de bezwaarverzekeringarts het verhoogde cholesterol geen beperkingen met zich brengt. Daarnaast is namens het Uwv ter zitting van de Raad ingestemd met de overlegging van de brief van de uroloog van 25 februari 2011. Uit deze brief komt naar voren dat de gynaecologische klachten zijn opgetreden na de datum in geding. De Raad ziet in deze en de reeds beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten een en ander voor onjuist te houden. Ten aanzien van de eerder naar voren gebrachte incontinentieklachten verwijst de Raad naar de rapportage van Van Hooff van 20 juli 2009, waarin is aangegeven dat er goed opvangmateriaal bestaat en dat deze incontinentieklachten niet leiden tot het aannemen van meer beperkingen voor arbeid.

5.4.5. Ten aanzien van de psychische klachten merkt de Raad op dat appellante ter zitting heeft aangegeven dat deze na de datum in geding zijn ontstaan door de onderhavige procedure en zij niet wordt behandeld voor deze klachten.

5.4.6. Gelet op hetgeen in 5.2 tot en met 5.4.5 is overwogen, is de Raad dan ook van oordeel dat uitgegaan moet worden van de belastbaarheid en beperkingen voor arbeid zoals deze zijn vastgelegd in de FML.

5.5. Ten aanzien van de (medische) geschiktheid van de functies is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat de belasting van de functies de vastgestelde belastbaarheid voor arbeid van appellante niet overschrijdt.

6. De Raad is gelet op hetgeen in 5.2 tot en met 5.5 is overwogen van oordeel dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt niet.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) D.E.P.M. Bary.

GdJ