Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1751

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
09-3698 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak. Afwijzing aanvraag voor een woningaanpassing door middel van de plaatsing van een traplift is zijn nieuwe woning, is terecht. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellants omstandigheden, meer in het bijzonder de wens een groot gezin te hebben, in de terminologie van artikel 20, aanhef en onder a, van de Vmo niet kunnen worden gekwalificeerd als “een andere belangrijke reden”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3698 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 juni 2009, 08/3828 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Katwijk (hierna: College).

Het geding is behandeld op de zitting van 2 maart 2011. Namens appellant is verschenen mr. A.A.G. Balkenende, advocaat te Katwijk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door R.G.W. Paulissen.

1. Appellant, geboren [in] 1966, heeft ten gevolge van een neurologische aandoening krachtsverlies in beide benen. Hij is rolstoelafhankelijk. Op 8 november 2007 heeft appellant, in verband met zijn verhuizing van het [adres 1] te [gemeente] naar de [adres 2] te [gemeente], bij het College een woningaanpassing door middel van de plaatsing van een traplift aangevraagd voor laatstgenoemde woning.

2. Bij besluit van 3 januari 2008 heeft het College deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 22 april 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit 3 januari 2008 ongegrond verklaard, onder verwijzing naar artikel 20, aanhef en onder a, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Katwijk 2007 (Vmo).

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 22 april 2008 ongegrond verklaard.

4. Artikel 20 van de Vmo luidt, voor zover van belang:

“De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien:

a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;”

5. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning aan het [adres 1] - een gelijkvloers appartement met drie slaapkamers - vanuit het perspectief van de beperkingen van appellant een voor hem geschikte woning is. Vanwege een inpandige trap is de woning aan de [adres 2] dit niet.

6. Appellant heeft aangegeven van zijn flatwoning naar een eengezinswoning met tuin te willen verhuizen, teneinde zijn relatief grote gezin - ten tijde van de aanvraag 4, inmiddels 5 jonge kinderen - ruimer te huisvesten en de kinderen de gelegenheid te bieden in de tuin te spelen. Appellant heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zijn omstandigheden, meer in het bijzonder de wens een groot gezin te hebben, in de terminologie van artikel 20, aanhef en onder a, van de Vmo dienen te worden gekwalificeerd als “een andere belangrijke reden”.

7. Naar het oordeel van de Raad heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheden van appellant geen belangrijke reden vormen in de zin van artikel 20, aanhef en onder a, van de Vmo. De situatie van appellant is onvoldoende vergelijkbaar met de situaties - samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk elders - die in de toelichting op de Vmo worden genoemd. Het College heeft in dit verband terecht aangevoerd dat het niet ongebruikelijk is dat ook grotere gezinnen in een flatwoning wonen.

8. Ten overvloede wijst de Raad er nog op dat uit artikel 20, aanhef en onder b, van de Vmo volgt dat - na overleg en toestemming - uitzonderingen op de hoofdregel mogelijk zijn. Dat appellant om hem moverende redenen niet voor een dergelijk traject heeft gekozen ligt in zijn risicosfeer.

9. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier.

Utrecht, 2 maart 2011

De griffier. De voorzitter.

P.J.M. Crombach. R.M. van Male.

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep.

HD