Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1739

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
09-3844 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel of een gesloten buitenwagen (Canta) is terecht. Het collectief vraagafhankelijk vervoer is in principe adequaat voor appellante en appellante kan niet zelfstandig een vervoermiddel besturen. De compensatieplicht van de WMO heeft betrekking op het zich lokaal verplaatsen. Aan de aanwezigheid van voor de betrokkene belangrijke bovenregionale contacten op zichzelf komt geen, dan wel slechts in bijzondere situaties een beslissende betekenis toekomt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich een dergelijke bijzondere situatie voordoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3844 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 24 juni 2009, 08/1610 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar [naam echtgenoot]. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellante is in verband met haar beperkingen een collectieve vervoersvoorziening toegekend in de vorm van een vervoerspas voor het collectief vraagafhankelijk vervoer (regiotaxi) waarmee zij vijf zones kan reizen.

1.2. Op 7 februari 2008 heeft appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) een aanvraag ingediend om een vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel of een gesloten buitenwagen (Canta). Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het College een onderzoek ingesteld. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 9 mei 2008. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 13 mei 2008 de aanvraag van appellante af te wijzen.

1.3. Bij besluit van 16 september 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 mei 2008 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat de door appellante gevraagde voorziening niet de goedkoopst adequate voorziening is die haar in staat stelt zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel. Daarbij is overwogen dat appellante zich voldoende lokaal kan verplaatsen met de haar toegekende collectieve vervoersvoorziening en dat zij niet in staat is zelfstandig een scootmobiel of Canta te besturen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 september 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat het College zich heeft gebaseerd op een oude indicatie. Voorts heeft appellante erop gewezen dat zij niet tevreden is met de kwaliteit van het vervoer per regiotaxi en dat zij ook buiten de regio wil reizen. Appellante is bereid haar pas voor de regiotaxi voor een Canta in te leveren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor de hier van toepassing zijn de bepalingen van de WMO en de op artikel 5 van die wet gebaseerde Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Winterswijk 2008 verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.2. Het College heeft zijn standpunt dat appellante ondanks haar beperkingen gebruik kan maken van de regiotaxi gebaseerd op de resultaten van het onder 1.1 genoemde onderzoek. De conclusie van dat onderzoek is dat het collectief vraagafhankelijk vervoer in principe adequaat is voor appellante en dat appellante niet zelfstandig een vervoermiddel kan besturen. Met de enkele stelling dat het College zich heeft gebaseerd op een oude indicatie heeft appellante deze conclusie niet voldoende onderbouwd weersproken.

4.3. Hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot de kwaliteit van de regiotaxi leidt er niet toe dat die voorziening haar onvoldoende compenseert in haar beperkingen zich per vervoermiddel lokaal te verplaatsen. Zij heeft in dit verband volstaan met stellingen en niet gewezen op gegrond bevonden klachten.

4.4. Met betrekking tot de stelling van appellante dat zij ook buiten de regio wil reizen merkt de Raad op dat de compensatieplicht van de WMO betrekking heeft op het zich lokaal verplaatsen. Dit betekent dat aan de aanwezigheid van voor de betrokkene belangrijke bovenregionale contacten op zichzelf geen, dan wel slechts in bijzondere situaties een beslissende betekenis toekomt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich een dergelijke bijzondere situatie voordoet.

4.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen treft het hoger beroep van appellante geen doel, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD