Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1577

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
09-2479 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Parkeercontroleur. 1) Ten uitvoerlegging voorwaardelijk ontslag is niet mogelijk omdat appellant zich niet heeft schuldig gemaakt aan een plichtsverzuim dat soortgelijk is aan het plichtsverzuim dat ten grondslag ligt aan het hem eerder opgelegde voorwaardelijk strafontslag. 2) Verder heeft het college niet voldoende hard gemaakt dat appellant zijn taken op vier dagen zodanig heeft verzaakt dat geconcludeerd moet worden dat hij ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd. Van belang is dat nergens uit valt op te maken dat appellant zijn taken niet naar behoren verrichtte als hij niet met een zekere regelmaat navraag deed in de gemeentelijke Parkeer Rechten Data Base. 3) Van ontslag op grond van ongeschiktheid, anders dan door ziekte of gebreken, kan geen sprake zijn, omdat appellant geen verbetermogelijkheid is gegeven. Vernietiging bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2479 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2009, 08/3048 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 31 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Een verweerschrift is niet ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.M. van der Lee, advocaat te Amsterdam, en P.W. Drost. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C. Holtkamp, juridisch adviseur.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als parkeercontroleur A bij de dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam.

1.2. Bij besluit van 16 januari 2007 heeft het college appellant onder meer de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, onder de bepaling dat deze straf slechts ten uitvoer zal worden gelegd als hij zich binnen een termijn van twee jaar opnieuw schuldig maakt aan soortgelijk of enig ander ernstig plichtsverzuim. Hieraan lag ten grondslag dat appellant op 30 oktober 2006 met een gehandicaptenparkeerkaart had geparkeerd hoewel hij op het gebruik van die kaart geen aanspraak kon maken. Dit besluit staat in rechte vast.

1.3. Nadat met appellant een verantwoordingsgesprek was gehouden, heeft het college bij besluit van 29 februari 2008 bedoeld voorwaardelijk strafontslag met onmiddellijke ingang ten uitvoer gelegd; subsidiair is appellant daarbij strafontslag opgelegd wegens zeer ernstig plichtsverzuim; en meer subsidiair is appellant ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de verdere vervulling van zijn betrekking, anders dan door ziekten of gebreken. Hiertoe is overwogen dat appellant op 11, 12, 13 en 15 oktober 2007 verscheidene langere periodes (van soms enkele uren) geen of uiterst geringe activiteiten heeft ontplooid bij het verrichten van zijn werkzaamheden. Bij het bestreden besluit van 25 juni 2008 heeft het college het besluit van 29 februari 2008 na bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. Het ter beoordeling staande ontslag van appellant is gebaseerd op een rapport van

20 januari 2007 (lees: 2008) van een door een medewerker van het bureau Integriteit van de dienst Stadstoezicht gehouden onderzoek. Bij dit onderzoek is gebruik gemaakt van uitdraaien uit de gemeentelijke Parkeer Rechten Data Base (PRDB) en uit een GPS-systeem.

Indien de parkeercontroleur wil nagaan of met een bepaald, door hem aangetroffen motorvoertuig mag worden geparkeerd, typt hij het kenteken van dat voertuig in op een handterminal. Deze terminal staat in verbinding met de PRDB. Als vervolgens vanuit dit systeem wordt doorgegeven dat een parkeerrecht ontbreekt, schrijft de controleur een naheffingsaanslag uit. In het rapport van 20 januari 2008 zijn de periodes opgesomd gedurende welke appellant blijkens de desbetreffende uitdraaien op de in geschil zijnde vier dagen geen navraag bij de PRDB heeft gedaan.

Aan ieder van de parkeercontroleurs is een portofoon ter beschikking gesteld die hen in staat stelt zich in geval van nood of onveiligheid te melden. De portofoon staat zodanig in verbinding met eerder bedoeld GPS-systeem dat regelmatig wordt geregistreerd op welke lengte- en breedtegraad de portofoon zich bevindt. In het rapport van 20 januari 2008 is gesteld dat de portofoon van appellant en dus ook appellant zelf zich blijkens uitdraaien uit het GPS-systeem op de betrokken vier dagen vaak tot zeer vaak geruime tijd op dezelfde plaats bevond.

3.2. Appellant heeft aangevoerd dat hij op de bewuste dagen zijn werk op de gebruikelijke en vereiste wijze heeft gedaan. Volgens appellant zijn de “leemtes” in de PRDB-registratie deels te verklaren doordat hij aanspraak heeft op drie pauzes per dag. Deze pauzes mogen worden doorgebracht op de basis aan de [naam straat]. Het vergt minstens tien minuten om daar te komen. Voorts moet de apparatuur elke week een aantal malen worden herstart. Ook wordt appellant nogal eens op straat aangesproken door burgers die net bekeurd zijn of inlichtingen verlangen. Ongeveer 80% van het werkgebied van appellant bestaat uit woonstraten. Hij is veelal bekend met de auto’s waarvoor een parkeervergunning is verleend. Alleen als hij een hem niet bekende auto zonder parkeerkaartje geparkeerd ziet staan, bestaat de noodzaak navraag via de handterminal te doen. Dit doet zich gewoonlijk maar enkele keren per dag voor. Verder bestaat ongeveer 20% van het werkgebied uit winkelstraten. Daar wordt veelal met gebruikmaking van kaartjes geparkeerd; controle daarvan vergt vrij veel tijd. Appellant heeft erop gewezen dat hij op de vier dagen in oktober 2007 achtereenvolgens 6, 11, 20 en 3 naheffingsaanslagen heeft uitgeschreven. Dit zijn geen ongebruikelijke aantallen, behalve mogelijk de laatste. Dit betrof echter een maandag, een dag waarop in het algemeen minder aanslagen worden uitgeschreven, omdat veel winkels ’s morgens gesloten zijn. Ten slotte heeft appellant gesteld dat hij zijn portofoon vaak in zijn scooter achterlaat omdat deze vrij groot en zwaar is en hij rugklachten heeft. De portofoon geeft dan niet aan waar appellant zich zelf bevindt.

3.3. Allereerst moet worden vastgesteld dat appellant zich niet heeft schuldig gemaakt aan een plichtsverzuim dat soortgelijk is aan het plichtsverzuim dat ten grondslag ligt aan het hem eerder opgelegde voorwaardelijk strafontslag. Gelet op hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, heeft het college naar het oordeel van de Raad voorts niet voldoende hard gemaakt dat appellant zijn taken op de vier meergenoemde dagen zodanig heeft verzaakt dat geconcludeerd moet worden dat hij ander ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd. Van belang is daarbij in het bijzonder dat nergens uit valt op te maken dat appellant zijn taken niet naar behoren verrichtte als hij niet met een zekere regelmaat navraag deed in de PRDB. Daarbij wijst de Raad erop dat het college heeft erkend dat appellant goed op de hoogte was van de auto’s waarvoor een parkeervergunning is verleend in zijn werkgebied. Niet gebleken is dat de parkeercontroleur in woonbuurten, ongeacht het karakter daarvan, behalve met auto’s met vergunning of parkeerkaartje vrij geregeld te maken heeft met auto’s zonder parkeerkaartje. De gegevens uit het GPS-systeem zijn niet zonder meer overtuigend. Niet geheel onaannemelijk is dat appellant zich op de vier dagen minder heeft ingespannen dan hij gewend was te doen; voor een deel zal dit dan te wijten zijn aan de omstandigheid dat hij pas op 11 oktober 2007 na een ziekteperiode weer aan het werk was gegaan en hij zich nog niet helemaal in orde voelde, wat hij ook aan zijn leidinggevende heeft gemeld. Van een strafwaardig plichtsverzuim dat de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk ontslag kan rechtvaardigen is evenwel niet gebleken.

3.4. Nu niet kan worden gesproken van plichtsverzuim was voor de subsidiaire oplegging van (zelfstandig) strafontslag evenmin plaats. Voorts kan het meer subsidiaire ongeschiktheidsontslag de rechterlijke toets reeds niet doorstaan omdat appellant geen verbetermogelijkheid is gegeven, zoals volgens vaste rechtspraak (in beginsel) vereist is voor een dergelijk ontslag.

3.5. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd evenals het bij die uitspraak ten onrechte in stand gelaten bestreden besluit. Nu het aan dit besluit klevende gebrek niet kan worden hersteld zal de Raad zelf in de zaak voorzien en het besluit van 29 februari 2008 herroepen.

4. Gezien het ter zitting verhandelde merkt de Raad nog op dat de appellant bij besluit van 13 november 2007 - in verband met het voornemen hem stafontslag te geven - opgelegde schorsing zonder aanspraak op bezoldiging door het besluit van 29 februari 2008 alle betekenis heeft verloren en is vervallen. Het schorsingsbesluit herleeft niet door de herroeping van het besluit van 29 februari 2008 nu ook deze herroeping betekent dat voor schorsing geen grond (meer) bestaat.

5. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Nu de Raad het besluit van 29 februari 2008 zal herroepen wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid is er aanleiding het college op grond van artikel 7:15 in verbinding met artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar. Deze kosten worden begroot op

€ 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

6. Voorts vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- aan rechtsbijstandkosten en € 3,22 aan reiskosten en in hoger beroep tot een bedrag van

€ 644,- aan rechtsbijstandskosten en € 13,94 aan reiskosten, derhalve in totaal € 1.305,16.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Herroept het besluit van 29 februari 2008;

Veroordeelt het college in de kosten van appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep tot een bedrag van € 1.949,16, waarvan € 1.932,- aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het college aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal

€ 368,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) K. Moaddine.

HD