Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1398

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
09-3726 AOR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning invaliditeitsuitkering. Causale arbeidsongeschiktheid is bij primair besluit vastgesteld op 25%, en bij beslissing op bezwaar op 60%. Voldoende grondslag. De broken-home situatie en de gevolgen daarvan zijn als niet-causaal aan te merken. Verweerster heeft ten onrechte geen aanleiding gezien appellant in aanmerking te brengen voor vergoeding van de proceskosten in bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3726 AOR

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

en

de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 14 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 18 juni 2009, kenmerk 0004662/CAOR, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Algemene Oorlogsongevallen-regeling (AOR), hierna: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2011. Namens appellant is verschenen mr. Van Berkel. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G. Belleflamme en mr. R.L.M.J. Gielen, beiden werkzaam bij de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft op 3 november 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van tegemoetkomingen op grond van de AOR. Bij besluit van 26 februari 2008 is vastgesteld dat appellant oorlogs-letsel (psychische klachten) heeft in de zin van de AOR en voldoet aan de overige vereisten voor aanspraak op tegemoetkomingen krachtens de AOR, zodat hij met ingang van 1 augustus 2006 als oorlogsslachtoffer in de zin van die regeling is aangemerkt. De mate van ongeschiktheid voor het verrichten van passende arbeid als gevolg van het oorlogsletsel is vastgesteld op 50%. Hierbij is in aanmerking genomen dat de invaliditeit van appellant deels door andere oorzaken, met name gezinsomstandigheden na de bevrijding, is bepaald. Appellant is op grond hiervan in aanmerking gebracht voor een invaliditeitsuitkering, berekend naar een uitkeringspercentage van 25. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit gegrond verklaard. Verweerster heeft de causale arbeidsongeschiktheid, onder verwijzing naar een nader medisch onderzoek, vastgesteld op 60%. Verweerster heeft geen aanleiding gezien appellant in aanmerking te brengen voor vergoeding van de proceskosten in bezwaar. Daartoe heeft verweerster overwogen dat de arts die primair advies heeft uitgebracht in alle redelijkheid tot dit advies heeft kunnen komen en dat geen sprake is van een aperte fout.

2.1. In beroep is namens appellant met name aangevoerd dat appellant vanwege zijn psychische klachten volledig geïnvalideerd is en dat deze klachten geheel zijn veroorzaakt door het oorlogsgeweld. Appellant stelt zich op het standpunt dat de broken-home situatie en de gevolgen daarvan voor appellant een direct gevolg zijn van het oorlogsgeweld. Naar zijn mening is het niet terecht om deze omstandigheden als niet-causaal aan te merken. Voorts is appellant van mening dat verweerster ten onrechte niet tot vergoeding van de kosten in bezwaar is overgegaan.

2.2. Verweerster heeft verwezen naar de medische adviezen die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. Voorts is ter zitting naar voren gebracht dat bij het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de AOR slechts rekening wordt gehouden met klachten die zijn veroorzaakt door de eigen oorlogservaringen.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Het standpunt van verweerster is gebaseerd op de medische rapporten die ten behoeve van de onderhavige aanvraag zijn uitgebracht door adviserend geneeskundigen R.J. Roelofs en A.S.E.P. Textor. Blijkens deze rapporten kunnen de psychische klachten van appellant niet volledig worden toegeschreven aan de oorlogservaringen. Een deel van deze klachten komt namelijk voort uit transgenerationele traumatisering door omstandig-heden na de bevrijding. Op basis van de tijdens huisbezoek verkregen gegevens acht Textor beperkingen aanwezig in adaptatie aan stressvolle omstandigheden. Hij ziet voorts aanleiding de causale arbeidsongeschikt te stellen op 60%.

3.2. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de onder 3.1 genoemde medische rapporten deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de voorhanden zijnde medische gegevens heeft de Raad geen aanleiding gevonden om het door verweerster aan deze rapporten ontleende standpunt onjuist te achten. De Raad merkt daarbij op dat namens appellant geen medische gegevens zijn aangedragen op basis waarvan aan de medische beoordeling getwijfeld zou moeten worden.

3.3. De Raad volgt voorts niet het namens appellant naar voren gebrachte standpunt dat de broken-home situatie en de gevolgen daarvan voor appellant bij de toepassing van de AOR moet worden betrokken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 november 2009, LJN BK3188) wordt bij de toepassing van de AOR uitsluitend de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld die een gevolg is van de eigen oorlogservaringen en worden de overige moeilijkheden die betrokkene in zijn leven heeft ondervonden niet in aanmerking genomen.

4.1. Naar aanleiding van het standpunt van appellant dat verweerster ten onrechte de in bezwaar gemaakte kosten niet heeft vergoed overweegt de Raad het volgende.

4.2. Ingevolge artikel 7:15, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

4.3. De Raad stelt vast dat verweerster naar aanleiding van de beoordeling in bezwaar aanleiding heeft gezien de causale arbeidsongeschiktheid nader vast te stellen op een percentage van 60. De Raad is van oordeel dat nu verweerster bij het bestreden besluit de rechtsgevolgen van het primaire besluit van 26 februari 2008 in zoverre heeft gewijzigd dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een hoger percentage is vastgesteld, in dit geval sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Het bestreden besluit dient voor zover hierbij vergoeding van de kosten van het bezwaar als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid van de Awb is afgewezen dan ook te worden vernietigd. Aan appellant dient vervolgens voor de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding te worden toegekend. Deze kosten worden begroot op € 644,-.

4.4. Uit het overwogene onder 4.3 vloeit voort dat de Raad het beroep gegrond zal verklaren voor zover verweerster daarbij heeft nagelaten een vergoeding toe te kennen voor de door appellant in bezwaar gemaakte kosten. Voor het overige zal het beroep ongegrond worden verklaard.

5. De Raad ziet voorts aanleiding om verweerster te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond, voor zover daarbij geen vergoeding is toegekend voor in bezwaar gemaakte kosten en vernietigt dit besluit in zoverre;

Verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

Veroordeelt verweerster in de kosten van bezwaar en beroep van appellant tot een bedrag van € 1.288,-;

Bepaalt dat verweerster aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.C.P. Venema en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD