Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1348

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
10-4830 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WAO-uitkering. Boete. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellante tegenover Van Walstijn afgelegde verklaringen genoegzaam steun bieden voor het oordeel dat appellante reeds vanaf 1 januari 2002 schoonheidsbehandelingen verrichtte en dat het toen, gelet op het aantal behandelingen, al niet meer ging om een hobby. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat de door het Uwv gemaakte schatting van de inkomsten uit werkzaamheden van appellante voldoende zorgvuldig is. Dit geldt ook de bij de schatting betrokken onkosten die appellante in het kader van die werkzaamheden heeft gemaakt. Het Uwv heeft zich daarbij gebaseerd op de verkregen inkoopoverzichten van de groothandel. De door appellante in bezwaar ingebrachte berekening gaat uit van meer kostenposten, maar de Raad acht die posten niet voldoende concreet en verifieerbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4830 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2010, 10/656 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2011. Voor appellante is verschenen mr. Haze. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J. Hut.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is met ingang van 30 juli 1991 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Naar aanleiding van een melding van de gemeente Rotterdam heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar appellante. Dit onderzoek heeft geleid tot het rapport werknemersfraude van 20 maart 2009 van P. van Walstijn. In dit rapport heeft

Van Walstijn geconcludeerd dat appellante werkzaamheden (schoonheidsbehandelingen) heeft verricht en/of inkomsten heeft genoten zonder daarvan mededeling te hebben gedaan aan het Uwv. Op basis van de bevindingen van Van Walstijn heeft arbeidsdeskundige P.J. Schaap geconcludeerd dat de inkomsten van appellante, zoals vermeld in het rapport werknemersfraude, dienen te worden gekort op de aan appellante toegekende WAO-uitkering, zodat die uitkering met toepassing van artikel 44 van de WAO van 1 januari 2002 tot 1 januari 2005 moet worden uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% en met ingang van 1 januari 2005 moet worden herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Bij besluit van 13 augustus 2009 heeft het Uwv dienovereenkomstig beslist. Bij besluit van 16 oktober 2009 heeft het Uwv de aan appellante over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 augustus 2009 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering, zijnde bruto € 31.913,76, van appellante teruggevorderd. Bij besluit van

23 november 2009 heeft het Uwv aan appellante een boete opgelegd van € 2.269,00.

1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 13 augustus 2009, 16 oktober 2009 en 23 november 2009. Bij besluit van 13 januari 2010 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen die besluiten ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij het volgende overwogen (waarbij voor eiseres dient te worden gelezen appellante en voor verweerder het Uwv):

“Uit het onderzoeksrapport werknemersfraude van 18 maart 2009 met bijlagen, valt af te leiden dat eiseres op

12 februari 2009 en 18 maart 2009 gesproken heeft met verweerders inspecteur P. van Walstijn. De naar aanleiding hiervan opgestelde verslagen zijn door eiseres ondertekend. Uit deze verklaringen valt af te leiden dat eiseres lang geleden in Suriname haar diploma’s gehaald heeft voor schoonheidsspecialiste. In eerste instantie heeft eiseres aangegeven dat zij vanaf 2003 of 2004 als schoonheidsspecialiste klanten heeft behandeld. Nadat verweerders onderzoek heeft aangetoond dat eiseres vanaf 1997 bekend is bij de groothandel voor inkopen, heeft eiseres aangegeven dat zij waarschijnlijk vanaf ongeveer 1997 als hobby is gestart met behandelingen van haar zussen en later ook andere mensen heeft behandeld. Omdat zij dit als hobby zag en niet als beroep, heeft zij deze werkzaamheden en inkomsten niet gemeld bij verweerder.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres hiermede in strijd met de inlichtingenplicht heeft gehandeld. Het feit dat zij, zoals ze zelf stelt, niet wist dat zij deze inkomsten moest melden en verweerder om deze reden niet ingelicht heeft, komt voor risico van eiseres. Op grond van artikel 57 van de WAO is verweerder verplicht haar inkomsten te korten op haar uitkering en van haar terug te vorderen.

Eiseres heeft geen administratie bijgehouden, geen belastingaangifte gedaan en geen agenda of andere verifieerbare gegevens overlegd. Hierdoor is verweerder genoodzaakt haar inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Niet gebleken is dat het onderzoeksrapport werknemersfraude van 20 maart 2009 onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Gelet op de in het kader van dit onderzoek door eiseres gegeven verklaringen, alsmede de verkregen inkoopoverzichten van de groothandel, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht kunnen oordelen dat eiseres vanaf 1 januari 2002 werkzaamheden heeft verricht. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat verweerder vanaf juli 2002 facturen van de groothandel heeft, zodat pas vanaf juli 2002 inkomsten gekort mogen worden, kan de rechtbank eiseres niet volgen. Verweerder heeft aangegeven dat eiseres vanaf 1997 bekend is bij de groothandel. Voorts heeft eiseres zelf verteld aan de inspecteur dat zij vanaf 1997 haar zussen en later andere en meer klanten heeft geholpen. Ter zitting heeft zij dit ook bevestigd. Gelet op de verstreken termijn tussen 1997 en 2002 en de mededeling van eiseres zelf dat zij een steeds grotere kring van personen ging behandelen, acht de rechtbank het aannemelijk dat zij vanaf januari 2002 gemiddeld 3 tot 4 klanten per week behandelde. Ten aanzien van de omvang van de werkzaamheden overweegt de rechtbank dat eiseres volgens de gespreksverslagen in beide gesprekken met de inspecteur heeft verklaard dat zij ongeveer gemiddeld drie a vier klanten per week hielp en € 27,50 per klant ontving. Voor zover eiseres later heeft aangevoerd dat zij twee tot drie klanten ontving en hiervoor € 25,- per klant ontving, is verweerder terecht uitgegaan van de door haar ondertekende eerste verklaringen. Ingevolge de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld

LJN BG9827) mag iemand in beginsel gehouden worden aan eerste afgelegde verklaringen. Voor zover eiseres later terug is gekomen op deze verklaringen is de rechtbank van oordeel dat zij daarmee niet onderbouwt en aantoont is dat de twee eerder door haar afgelegde verklaringen niet juist zouden zijn. De in bezwaar overgelegde berekeningen zijn zo algemeen van aard dat zij daartoe ook niet nopen. Verweerder heeft ook geen aanleiding hoeven te zien de door eiseres in bezwaar opgevoerde kosten die zij ten behoeve van haar werkzaamheden gesteld te hebben gemaakt, van de geschatte inkomsten af te trekken. Eiseres heeft immers eerder verklaard dat zij geen kosten heeft gemaakt voor het verrichten van de werkzaamheden. Zij onderbouwt niet waarom deze kosten nu wel moeten worden geacht voor haar rekening te zijn gekomen.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de inkomsten van eiseres vanaf 2002 niet onjuist heeft vastgesteld, zodat de WAO-uitkering van eiseres terecht met ingang van 1 januari 2002 is gekort. Op grond van artikel 44 van de WAO kan deze korting over maximaal drie jaar plaatsvinden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht de WAO-uitkering met ingang van 1 januari 2005 heeft herzien naar de mate van arbeidsongeschiktheid 65 tot 80%. Dat eiseres in 2006 ziek is geweest en daardoor minder inkomsten zou hebben verworven, kan niet afdoen aan de terechte herziening met ingang van 1 januari 2005.

Op grond van artikel 57 van de WAO is verweerder gehouden tot terugvordering over te gaan, tenzij dringende redenen aanwezig zijn waardoor van verweerder zou mogen worden verlangd daarvan af te zien. Dergelijke redenen zijn gesteld noch gebleken.

In het licht van de instandlating van besluiten I en II overweegt de rechtbank ten aanzien van de opgelegde boete dat eiseres tegen dit besluit geen gronden heeft aangevoerd. Dit besluit kan ook in stand blijven”.

3. In hoger beroep heeft appellante de door haar in bezwaar en in beroep aangevoerde gronden herhaald. Deze gronden komen er – kort weergegeven – op neer dat bij het bestreden besluit ten onrechte is aangenomen dat zij al met ingang van

1 januari 2002 schoonheidsbehandelingen heeft verricht, anders dan als hobby. Appellante heeft er in dat verband wederom op gewezen dat de eerste factuur van door haar bestelde producten en middelen dateert uit juli 2002 en dat zij pas vanaf 2003 of 2004 een min of meer regelmatig aantal klanten per week had, zodat haar bezigheden pas vanaf die tijd kunnen worden aangemerkt als werkzaamheden. Appellante heeft de juistheid van de berekening van Van Walstijn, waarbij is uitgegaan van drie tot vier klanten per week die € 27,50 per behandeling hebben betaald, betwist, zowel wat het aantal behandelingen per week betreft als het bedrag dat per behandeling werd betaald. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de door haar in bezwaar ingebrachte berekening van haar verdiensten een meer reëel beeld geeft van die verdiensten en dat die berekening dan ook moet worden gevolgd. Appellante heeft tot slot gesteld dat als het besluit tot korting en herziening niet in stand blijft, dit gevolgen dient te hebben voor het besluit tot terugvordering en het besluit waarbij een boete is opgelegd.

4. Het Uwv heeft in verweer aangevoerd dat in hetgeen door appellante is aangevoerd geen reden wordt gezien om tot een ander standpunt te komen dan het in het bestreden besluit neergelegde standpunt. Het Uwv heeft om deze reden verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad is van oordeel dat de in hoger beroep door appellante aangevoerde gronden geen doel treffen. De Raad stelt zich achter het oordeel van de rechtbank en achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. Hij voegt daar nog het volgende aan toe.

6. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellante tegenover Van Walstijn afgelegde verklaringen genoegzaam steun bieden voor het oordeel dat appellante reeds vanaf 1 januari 2002 schoonheidsbehandelingen verrichtte en dat het toen, gelet op het aantal behandelingen, al niet meer ging om een hobby. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat de door het Uwv gemaakte schatting van de inkomsten uit werkzaamheden van appellante voldoende zorgvuldig is. Dit geldt ook de bij de schatting betrokken onkosten die appellante in het kader van die werkzaamheden heeft gemaakt. Het Uwv heeft zich daarbij gebaseerd op de verkregen inkoopoverzichten van de groothandel. De door appellante in bezwaar ingebrachte berekening gaat uit van meer kostenposten, maar de Raad acht die posten niet voldoende concreet en verifieerbaar. Dit betekent dat de Raad zich niet kan stellen achter de stelling van appellante dat de door het Uwv gemaakte schatting niet aan het bestreden besluit ten grondslag kan worden gelegd.

7. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2011.

(get.) H. Bolt.

(get.) T.J. van der Torn.

CVG