Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1232

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
14-04-2011
Zaaknummer
10-5044 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen onderschatting beperkingen. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5044 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 augustus 2010, 09/2441 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS rechtsbijstand.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2011. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft bij besluit van 12 januari 2009, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 9 juni 2009 (hierna: het bestreden besluit), vastgesteld dat er voor appellante ingaande 22 oktober 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft in hetgeen appellante in beroep heeft gesteld geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van de stelling van appellante dat zij zwaarder beperkt is dan is vastgesteld door het Uwv in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 24 november 2008. De rechtbank heeft tot slot als haar oordeel uitgesproken dat de voor appellante geduide functies passend zijn.

3. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellante heeft daartoe – wederom – aangevoerd dat zij zwaarder beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld. Bij brief van 18 februari 2011 heeft appellante een brief van de revalidatiearts dr. F.R.T. Hamers van 7 februari 2011 ingebracht.

4. De vertegenwoordiger van het Uwv heeft ter zitting, middels het voorlezen van een rapport van een bezwaarverzekeringsarts, gereageerd op de brief van de revalidatiearts Hamers.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek. De verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en appellante op het spreekuur onderzocht. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts dossierstudie verricht en appellante op de hoorzitting gezien. Met betrekking tot de stelling van appellante dat het medisch onderzoek slechts zeer kort heeft geduurd, wijst de Raad er, de juistheid van deze stelling in het midden latend, op dat in het algemeen uit de duur van een medisch onderzoek niet zonder meer conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de vraag of een dergelijk onderzoek volledig en voldoende is geweest. Dit betoog slaagt derhalve niet.

5.1.2. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat niet is gebleken dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. De verzekeringsarts heeft na eigen onderzoek fysieke en psychische beperkingen aangenomen in verband met de klachten die appellante heeft. De bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien af te wijken van het standpunt van de verzekeringsarts. De Raad kan zich vinden in het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, mede nu de in beroep en hoger beroep door appellante ingebrachte medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden voor de veronderstelling dat zij zwaarder beperkt is dan is vastgesteld door het Uwv. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 8 juni 2010 voldoende gemotiveerd is ingegaan op het door appellante ingebrachte rapport van medisch adviseur H.M.Th. Offermans van 26 mei 2010. De brief van revalidatiearts Hamers bevat voorts geen relevante feiten over het medisch toestandsbeeld van appellante ten tijde van de datum in geding.

5.2. Aldus uitgaande van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad voorts met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

5.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) N.S.A. El Hana.

EK