Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1226

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
14-04-2011
Zaaknummer
10-2503 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WAO-uitkering. Schending inlichtingenplicht. Inkomsten uit arbeid. Boete evenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2503 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 maart 2010, 09/0799 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving sinds 4 september 2007 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Nadat was gebleken dat appellant met ingang van maart 2008 inkomsten heeft uit werkzaamheden bij de [werkgever] in [vestigingsplaats], heeft het Uwv bij besluit van 9 oktober 2008 (besluit I) de WAO-uitkering van appellant met ingang van

1 maart 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van eveneens 9 oktober 2008 (besluit II) heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij over de periode van 1 maart 2008 tot en met 31 oktober 2008 te veel uitkering heeft ontvangen en dat de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over deze periode ter hoogte van een bedrag van € 870,43 wordt teruggevorderd. Bij besluit van 24 oktober 2008 (besluit III) heeft het Uwv aan appellant een boete van € 90,00 opgelegd in verband met schending van de inlichtingenplicht.

1.2. Bij besluit van 25 februari 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten I tot en met III ongegrond verklaard, met dien verstande dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 1 maart 2008 ongewijzigd 25 tot 35% bedraagt, maar dat zijn uitkering per die datum met toepassing van artikel 44 van de WAO wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, met beslissingen over proceskosten en griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank had het Uwv het bezwaar van appellant wegens een wijziging van de wettelijke grondslag gegrond moeten verklaren. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 44 van de WAO is voldaan, zodat het Uwv gehouden was om de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering terug te vorderen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan van terugvordering diende te worden afgezien. Wat betreft de opgelegde boete is de rechtbank van oordeel dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden, zodat het Uwv in beginsel gehouden was om appellant een boete op te leggen. Het is de rechtbank niet gebleken dat appellant van de schending van de inlichtingenplicht geen verwijt kan worden gemaakt.

3. Hetgeen door appellant in hoger beroep naar voren is gebracht komt er in essentie op neer dat appellant niet begrijpt waarom zijn WAO-uitkering wordt uitbetaald naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse, nu zijn feitelijke inkomsten na werkhervatting zijn gedaald. In dat licht bestrijdt hij eveneens de terugvordering en de boete.

4.1. De Raad dient te beoordelen of de rechtbank op juiste gronden de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant vanaf maart 2008 inkomsten heeft gehad als bedoeld in artikel 44 van de WAO. Ook de hoogte van deze inkomsten is niet in geschil. Aan de voorwaarde voor toepassing van artikel 44 van de WAO is dan ook voldaan. Dit laat onverlet dat deze toepassing onder omstandigheden in strijd kan zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, dan wel met een (andere) ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. In hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad echter geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv de uitkering van appellant met ingang van 1 maart 2008 ten onrechte heeft uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is de Raad evenmin gebleken.

4.3. In artikel 29a van de WAO, voor zover hier van belang, is bepaald dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een belanghebbende een boete oplegt van ten hoogste € 2.269,- indien hij de inlichtingenverplichting, bedoeld in artikel 80 van de WAO, niet of niet behoorlijk is nagekomen. De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin degene die aanspraak maakt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van het opleggen van een boete af te zien.

4.4. In het Boetebesluit socialezekerheidswetten (hierna: Boetebesluit) zijn nadere regels gesteld onder meer met betrekking tot artikel 29a, eerste lid, van de WAO. In de artikelen 2, eerste lid, en 3, eerste lid, van het Boetebesluit is bepaald dat de boete wordt vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste

€ 52,- wordt vastgesteld. Indien de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden of de omstandigheden waarin hij verkeert daartoe aanleiding geven, wordt de boete die is berekend met toepassing van artikel 2, verhoogd of verlaagd.

4.5. Op basis van de gedingstukken is niet komen vast te staan dat appellant de inkomsten uit zijn werkzaamheden bij de [werkgever] aan het Uwv heeft gemeld. Daarmee heeft appellant de uit artikel 80 van de WAO voortvloeiende inlichtingenplicht geschonden. De Raad acht deze gedraging volledig verwijtbaar. De door het Uwv opgelegde boete acht de Raad evenredig. Voor een matiging van de boete bestaat dan ook geen aanleiding.

5. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR