Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1215

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
14-04-2011
Zaaknummer
10-524 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. De in hoger beroep ingezonden medische gegevens bevatten geen aanwijzingen dat de medische beperkingen van appellante zijn onderschat. Geen noodzaak voor een nader medisch en arbeidskundig onderzoek. Geschiktheid voor de maatmanarbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/524 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 december 2009, 09/1545 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.C.W.G.M. Janssens, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft gegevens doen inzenden van haar huisarts en psychiater I. Libbrecht, verbonden aan de GGZ te Roosendaal, waarop het Uwv door inzending van een tweetal rapporten van de bezwaarverzekeringsarts mr. J.T.J.A. Klijn heeft gereageerd.

Het geding is op de zitting van 2 maart 2011 ter behandeling aan de orde gesteld. Partijen zijn na schriftelijke kennisgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft haar werk als schoonmaakster op 2 december 2006 vanwege psychische klachten gestaakt. Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 30 december 2008 vastgesteld dat appellante met ingang van

30 november 2008 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 16 maart 2009 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit steunt op de opvatting dat appellante weliswaar medische beperkingen heeft, maar dat zij met inachtneming daarvan in staat moet worden geacht haar eigen werk van schoonmaakster te verrichten.

2.1. De rechtbank heeft, beslissende op het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep, als haar oordeel gegeven dat de medische grondslag van dit besluit stand kan houden. Daartoe heeft rechtbank overwogen dat de strekking van de in beroep ingebrachte brief van 25 september 2009 van de behandelend psychiater Libbrecht al bekend was bij de (bezwaar)verzekeringsartsen en voldoende is betrokken bij hun oordeelsvorming. In het eveneens ingezonden huisartsenjournaal, waarin opgenomen de uitkomsten van neurologisch onderzoek in verband met een carpaal tunnelsyndroom, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten voor twijfel aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsartsen gezien.

2.2. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat zij door het rapport van 13 maart 2009 van de bezwaararbeidsdeskundige voldoende overtuigd is dat appellante geschikt is voor de door haar laatstelijk verrichte werkzaamheden van schoonmaakster. Daarbij heeft de rechtbank mede van belang geacht dat de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van de bevindingen van de neuroloog zorgvuldigheidshalve de functiebeschrijving nogmaals heeft bekeken en heeft aangegeven dat het wringen van doeken weliswaar regelmatig voorkomt in de maatgevende functie, maar dat dit gelet op de bevindingen bij neurologisch onderzoek de belastbaarheid van appellante niet te boven gaat. De rechtbank heeft het beroep van appellante daarop ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij gelet op haar medische situatie, psychisch alsmede lichamelijk, niet in staat is gebleken om in arbeid te hervatten en dat er kennelijk ook geen kans is op herstel. Appellante meent dat haar gezondheidstoestand verslechtert en dat een nader onafhankelijk medisch en arbeidskundig onderzoek noodzakelijk is. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante opnieuw gegevens van haar huisarts en van psychiater Libbrecht ingezonden. Zij is voorts van mening dat zij de geduide functies niet kan vervullen.

3.2. Het Uwv heeft in de in hoger beroep ingezonden medische gegevens geen aanleiding gezien een ander standpunt in te nemen. De bezwaarverzekeringsarts Klijn heeft in zijn rapporten van 2 maart 2010 en 7 april 2010 dienaangaande opgemerkt dat voor zover sprake is van nieuwe medische gegevens deze niet zien op de datum in geding,

30 november 2008. Met betrekking tot de informatie van psychiater Libbrecht heeft de bezwaarverzekeringsarts erop gewezen dat reeds forse beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren in de ten behoeve van de arbeidsongeschiktheidsschatting opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst zijn opgenomen en dat het door de psychiater in haar brief van 18 maart 2010 beschreven toestandsbeeld niet ziet op het functioneren van appellante ten tijde in geding.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad is van oordeel dat de in hoger beroep ingezonden medische gegevens geen aanwijzingen bevatten dat de medische beperkingen van appellante ten tijde hier in geding zijn onderschat. Voor een nader medisch en arbeidskundig onderzoek, zoals door appellante is verzocht, ziet de Raad dan ook met het oog op zijn oordeelsvorming geen noodzaak.

4.2. Voorts overweegt de Raad dat met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellante na 30 november 2008 in dit geding geen rekening kan worden gehouden.

4.3. Anders dan appellante kennelijk veronderstelt is er geen zogeheten theoretische schatting uitgevoerd op basis van voor haar geschikt te achten functies. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen geschikt is voor haar eigen werk van schoonmaakster.

4.4. Zoals de Raad onder andere in zijn uitspraak van 14 juni 1994, LJN ZB2991, heeft overwogen, rechtvaardigt geschiktheid voor de maatmanarbeid in beginsel de vooronderstelling dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, tenzij hervatting in de oude functie niet mogelijk is en zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen welke de juistheid van die vooronderstelling aantasten. Hiervan is in dit geval geen sprake. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 13 maart 2009 aangegeven dat de door appellante verrichte schoonmaakwerkzaamheden van kantoren bij werkgever CSS, waarmee het dienstverband in verband met faillissement van deze werkgever is geƫindigd, met een vergelijkbare belasting en beloning op de arbeidsmarkt voorkomen. De Raad heeft geen reden hieraan te twijfelen.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat er ten tijde in geding geen sprake was van een relevant verlies aan verdiencapaciteit.

5. Het hiervoor overwogene in aanmerking nemend komt de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, voor bevestiging in aanmerking.

6. Hieruit vloeit voort dat voor vergoeding van schade als door appellante verzocht ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geval dan ook geen plaats is, zodat ook op dit punt de aangevallen uitspraak waarbij het verzoek tot schadevergoeding is afgewezen, voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is in het openbaar uitsgesproken op 13 april 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) N.S.A. El Hana.

JL