Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1178

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
18-04-2011
Zaaknummer
09-2110 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat het College op het gecontracteerde uurtarief voor naturazorg ten onrechte een korting van 25% heeft toegepast nu het College niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor het lagere tarief zorg kan worden ingekocht die in termen van kwaliteitswaarborgen, arbeidsvoorwaarden, scholingsfaciliteiten, continuïteit en uren waarop de gecontracteerde zorg al dan niet moet worden geleverd, vergelijkbaar is met de door de gemeente gecontracteerde zorg. Het in het besluit op bezwaar gehanteerde uurtarief berust op een ondeugdelijke motivering. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/120
RSV 2011/200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2110 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 februari 2009, 08/1980 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Neerijnen (hierna: College).

Datum uitspraak: 30 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam familie] hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2010. Voor appellant is verschenen [naam familie]. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.J. Stoffer, werkzaam bij de gemeente Tiel.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant is bekend met schizofrenie. Hij bewoont een bungalow op het erf van zijn ouders. In verband met zijn beperkingen is ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) ten behoeve van appellant een indicatie afgegeven voor onder andere huishoudelijke verzorging, HH2, klasse drie (4-6,9 uur per week).

2.2. Vanwege het aflopen van de indicatie op 31 december 2007 heeft appellant bij het College een aanvraag om voortzetting van de zorg in de vorm van huishoudelijke hulp ingediend.

2.3. Op 1 november 2007 heeft E. Jozephia, Wmo-consulente bij de gemeente Tiel, over deze aanvraag aan het College advies uitgebracht. Geconcludeerd is dat appellant ten gevolge van zijn psychiatrische aandoening niet in staat is om het huishouden te doen en daarvoor hulp behoeft. Daarom is geadviseerd om appellant in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) in aanmerking te brengen voor huishoudelijke hulp, niveau twee, voor zeven uur en vijftien minuten per week over de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 november 2010 en aan appellant een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) toe te kennen van € 16,00 per uur. Voor het bereiden van warme maaltijden zijn geen extra uren geïndiceerd, omdat sprake is van een voorliggende voorziening. Het College heeft vervolgens bij besluit van 1 november 2007 conform het advies beslist.

2.4. Bij besluit van 1 april 2008 heeft het College het tegen het besluit van 1 november 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen.

Wat betreft het ontbreken van een indicatie voor het bereiden van warme maaltijden geldt dat appellant gebruik kan maken van een maaltijddienst die voorkomt dat hij voor het bereiden van warme maaltijden is aangewezen op huishoudelijke hulp. Er is niet gebleken dat appellant daarvan geen gebruik kan maken dan wel dat die voorziening onvoldoende compensatie biedt. Dat appellant een verstoord dag- en nachtritme heeft en zich regelmatig opsluit in huis staat niet aan gebruikmaking van de maaltijddienst in de weg; de maaltijden kunnen verpakt voor de deur van de woning van appellant worden achtergelaten dan wel bij de op hetzelfde perceel wonende ouders van appellant worden bezorgd en na bezorging worden bewaard en op een in het ritme van appellant passend tijdstip worden gebruikt. Aan de stelling van appellant dat hij een speciaal dieet volgt waardoor de maaltijden van de maaltijddienst niet geschikt zijn, wordt voorbijgegaan nu de stelling dat een dieet wordt gevolgd niet met objectieve gegevens is onderbouwd. De stelling van appellant dat sprake is van rechtsongelijkheid nu aan een andere persoon met hetzelfde ziektebeeld wel tijd is toegekend voor het bereiden van warme maaltijden, faalt omdat uit de gedingstukken blijkt dat geen sprake is van gelijke gevallen. Omdat de benodigde zorg wordt verleend en kennelijk voor het toegekende bedrag van € 16,00 per uur kan worden ingehuurd, slaagt de stelling van appellant dat het toegekende bedrag te laag is om goede zorg in te huren niet. Nu voorts niet is betwist dat het toegekende aantal uren voldoende is voor de zorg waarop de voorziening betrekking heeft, wordt voldaan aan de compensatieplicht. De stelling dat het besluit ter zake onvoldoende zorgvuldig is voorbereid treft geen doel.

4. Appellant heeft in hoger beroep - daarmee in essentie herhalende hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd - gesteld dat er geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden en dat er geen sprake is van compensatie van zijn beperkingen omdat de verstrekte voorziening niet afdoende is. Appellant heeft aangevoerd dat niet met hem is gesproken over zijn beperkingen en de benodigde voorzieningen. Verder heeft appellant herhaald dat de maaltijddienst in zijn geval - om redenen van een verstoord dag- en nachtritme, het geregeld niet openen van de deur en dieetvoorschriften - niet geschikt is en dus niet als voorliggende voorziening kan worden aangemerkt. Appellant heeft zich in dit verband onder verwijzing naar de situatie van een andere persoon aan wie wel extra tijd voor het bereiden van warme maaltijden is toegekend ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Ten slotte heeft appellant herhaald dat het uurtarief van € 16,00 te laag is om goede zorg te kunnen inhuren.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Wet- en regelgeving

6.1.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, onderdeel 6°, van de Wmo wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder maatschappelijke ondersteuning verstaan het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer.

6.1.2. Artikel 4, eerste lid, van de Wmo bepaalt, voor zover hier van belang, dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem onder meer in staat stellen om een huishouden te voeren. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

6.1.3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

6.1.4. Artikel 26, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat de motivering van een besluit op een aanvraag om een individuele voorziening vermeldt op welke wijze het genomen besluit bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem. Ingevolge het tweede lid is bij een beslissing op het bezwaar als bedoeld in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

6.2.1. Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo heeft de raad van de gemeente Neerijnen uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Neerijnen (hierna: Verordening).

6.2.2. In artikel 11 van de Verordening is bepaald dat de omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in uren per week waarbij op grond van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Neerijnen (hierna: Besluit) opgenomen regels een bandbreedte kan worden aangegeven waarbinnen van het vastgestelde aantal uren kan worden afgeweken.

6.2.3. Volgens artikel 2.2 van het Besluit vindt de vaststelling van een pgb ten aanzien van hulp in de huishouding plaats naar indeling in één van de drie niveaus met bijbehorende uurtarieven. Bij niveau twee hoort een tarief van “€ 16,00 p/u (=75%)”.

Beoordeling van de indicatie

7.1. De Raad ziet in het feit dat de gemeentelijke WMO-consulente niet met appellant zelf heeft gesproken geen reden om te oordelen dat het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag van appellant niet zorgvuldig is geweest. Het is immers niet gebleken dat de informatie over de gezondheidstoestand en de daaruit voortvloeiende beperkingen van appellant onvoldoende was om tot een besluit op de aanvraag te komen. Uit de dossierstukken blijkt dat de Wmo-consulente allereerst en op aandringen van de vader van appellant met de vader van appellant een gesprek heeft gehad waarin de medische situatie en de beperkingen van appellant zijn besproken. Vervolgens heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Omdat appellant op dat moment sliep, is op verzoek van zijn vader niet met hem gesproken. Ook overigens ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat er geen zorgvuldig onderzoek is verricht.

7.2. Wat betreft de stelling van appellant dat er voor het bereiden van warme maaltijden meer uren voor hulp in de huishouding geïndiceerd moeten worden, is de Raad met de rechtbank - en op dezelfde gronden als de rechtbank - van oordeel dat daarvoor geen aanleiding bestaat. Appellant kan gebruik maken van een maaltijddienst die voorkomt dat hij voor het bereiden van warme maaltijden is aangewezen op huishoudelijke hulp. Niet is gebleken dat deze voorziening in het geval van appellant niet adequaat is. Weliswaar heeft appellant gesteld dat de maaltijddienst voor hem niet geschikt is wegens zijn verstoorde dag- en nachtritme en zijn voorkomende weigeringen om de deur te openen, maar hij heeft de in de aangevallen uitspraak daarvoor geopperde oplossingen - de maaltijden kunnen verpakt voor de deur van de woning van appellant worden achtergelaten dan wel bij de op hetzelfde perceel wonende ouders van appellant worden bezorgd en na bezorging worden bewaard en op een in het ritme van appellant passend tijdstip worden gebruikt - niet betwist. Ook de stelling van appellant dat hij een dieet volgt waarmee de maaltijddienst onvoldoende rekening kan houden, volgt de Raad niet. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stelling in hoger beroep een lijst met dieetvoorschriften overgelegd. Naar het oordeel van de Raad gaat het daarbij echter om algemene voorschriften voor gezonde voeding. Voor zover al van een dieet gesproken kan worden, zijn die voorschriften niet van zodanige aard dat er aanleiding is om te veronderstellen dat de maaltijddienst daarmee geen rekening houdt of kan houden.

7.3. De afwijzing van het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel is naar het oordeel van de Raad door het College onvoldoende gemotiveerd. Appellant heeft in bezwaar verwezen naar een hem bekende zaak waarin aan een persoon met hetzelfde ziektebeeld als appellant wel extra uren voor het bereiden van warme maaltijden zijn toegekend. Het College heeft in het besluit op bezwaar verwezen naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften waarin is vermeld dat “(o)nderlinge vergelijking van individuele indicatiestellingen op basis van het ziektebeeld (…) niet mogelijk (is)” en het beroep op het gelijkheidsbeginsel daarmee afgewezen. Een nadere onderbouwing ontbreekt. Het is de Raad niet duidelijk waarom vergelijking van gevallen waarin hetzelfde ziektebeeld aan de orde is, ook wanneer sprake is van individuele indicatiestellingen, volgens het College niet mogelijk is. Het gaat er immers om dat de voor de indicatie van belang zijnde feiten en omstandigheden van elke geval met elkaar moeten worden vergeleken om te komen tot een antwoord op de vraag of er sprake is van gelijke gevallen. Gelet hierop moet het besluit op bezwaar worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

7.4. Ten aanzien van de stelling van appellant dat een uurtarief van € 16,00 voor huishoudelijke hulp op niveau twee te laag is, merkt de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraken van 17 november 2009, LJN BK5008 en BK5105, het volgende op. Het is wat de kwaliteit van de zorg aangaat aan de budgethouder om te kiezen voor de door hem gewenste kwaliteit, met dien verstande dat het tot de verantwoordelijkheid van het College behoort om een zodanig pgb aan te bieden dat de budgethouder in staat wordt gesteld om met zorg in natura, ook in kwalitatieve zin, vergelijkbare zorg bij derden in te kopen. De Raad is van oordeel dat het College op het gecontracteerde uurtarief voor naturazorg ten onrechte een korting van 25% heeft toegepast nu het College niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor het lagere tarief zorg kan worden ingekocht die in termen van kwaliteitswaarborgen, arbeidsvoorwaarden, scholingsfaciliteiten, continuïteit en uren waarop de gecontracteerde zorg al dan niet moet worden geleverd, vergelijkbaar is met de door de gemeente gecontracteerde zorg. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het in het besluit op bezwaar gehanteerde uurtarief op een ondeugdelijke motivering berust. Ook in zoverre is het besluit op bezwaar genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Slotoverweging

8. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep tegen het besluit van 1 april 2008 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 april 2008 gegrond;

Vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.L.G. Boot.

HD