Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1177

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
09/1504 ZW + 10/696 ZW + 10/698 ZW + 10/2552 ZW + 10/3698 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld per verschillende data. Voldoende medische grondslag. Weigering toestemming te verlenen voor vakantie in Turkije. Bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat de weigering alleen telefonisch is medegedeeld. Eén besluit wordt vernietigd wegens overschrijding van de beslistermijn van 4 weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1504 ZW, 10/696 ZW, 10/698 ZW, 10/2552 ZW en 10/3698 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 januari 2009, 08/1505 (hierna: aangevallen uitspraak 1), van 22 december 2009, 09/709 en 09/1300 (hierna: aangevallen uitspraak 2), van 6 april 2010, 09/1428 (hierna: aangevallen uitspraak 3) en van 25 mei 2010, 09/1904 (hierna: aangevallen uitspraak 4)

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, de hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2011. De zaken zijn gevoegd behandeld. Appellante en haar raadsman zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.H. Rokebrand.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was werkzaam als administratief medewerkster toen zij uitviel wegens rugklachten en psychische klachten. Sinds 1993 ontvangt appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit op bezwaar van 27 oktober 2005 heeft het Uwv zijn besluit van 6 september 2004 gehandhaafd waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van

7 november 2004 is herzien naar 15 tot 25%.

1.2. Bij uitspraak van 8 augustus 2006 heeft de rechtbank het besluit van 27 oktober 2005 vernietigd, omdat het Uwv appellante - in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - niet in de gelegenheid heeft gesteld om haar bezwaar tijdens een hoorzitting naar voren te brengen. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen om opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen. Bij besluit van 4 januari 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante andermaal ongegrond verklaard. Appellante is tegen dat besluit bij de rechtbank in beroep gegaan.

1.3. In het kader van het aangepaste Schattingsbesluit van 1 oktober 2004 (aSB) is de arbeidsongeschiktheid van appellante door het Uwv ambtshalve herbeoordeeld. Bij besluit van 9 januari 2007 is appellante meegedeeld dat geen verandering is opgetreden in de mate van haar arbeidsongeschiktheid. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.4. Vanuit de situatie dat appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, heeft zij zich op 1 oktober 2007 opnieuw wegens rugklachten en depressieve klachten ziek gemeld. Na enkele keren het spreekuur van de verzekeringsarts te hebben bezocht, heeft deze arts appellante met ingang van 25 maart 2008 geschikt geacht om haar arbeid in de zin van de Ziektewet (ZW) te verrichten. Op grond daarvan is appellantes uitkering ingevolge de ZW met ingang van 25 maart 2008 beëindigd. Bij besluit van 28 juli 2008 is het bezwaar tegen de beëindiging van het ziekengeld ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit 1).

1.5. Bij uitspraak van 9 juli 2008 heeft de rechtbank het door appellante tegen het besluit van 4 januari 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan de door haar ingeschakelde psychiater, dr. J.W.G. Meissner, die op 29 november 2007 van zijn bevindingen verslag heeft gedaan. Deze deskundige is tot de conclusie gekomen dat vanuit psychiatrisch oogpunt op de datum 7 november 2004 bij appellante niet of nauwelijks beperkingen aanwezig zijn en dat bij appellante sprake is van een persoonlijkheidsstoornis van het Borderline type. De deskundige kon zich verenigen met de voor appellante vastgestelde belastbaarheid en achtte haar vanuit psychiatrisch oogpunt in staat om de voorbeeldfuncties te verrichten gedurende 38 uur per week. Appellante is tegen die uitspraak in hoger beroep gegaan.

1.6. Op 7 oktober 2008 heeft appellante zich wederom met dezelfde klachten ziek gemeld. Bij besluit van 20 november 2008 is appellante meegedeeld dat zij met ingang van gelijke datum hersteld is voor de eerder voor haar geselecteerde voorbeeldfuncties en is op grond daarvan de uitkering van het ziekengeld beëindigd. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. In dat kader is zij door de bezwaarverzekeringsarts herbeoordeeld. Deze achtte geen sprake van een wezenlijk andere medische situatie. Wel was appellante inmiddels aan alcohol verslaafd geraakt. Aangezien deze verslaving een negatieve invloed zou kunnen hebben op het vermogen van appellante de destijds voor haar geduide voorbeeldfuncties uit te oefenen, heeft de bezwaararbeidskundige die functies herbeoordeeld en geconcludeerd dat appellante nog steeds in staat is te achten de voorbeeldfuncties te verrichten. Bij besluit van 23 april 2009 is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit 2).

1.7. In het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 juli 2008 heeft de Raad bij uitspraak van 13 mei 2009 geoordeeld dat de uitspraak van 9 juli 2008 moet worden bevestigd. Daarbij heeft de Raad - voor zover hier van belang - het oordeel van de rechtbank onderschreven dat appellantes belastbaarheid op de datum 7 november 2004 door het Uwv niet is overschat. Ook was de Raad niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan hij het aangewezen achtte om af te wijken van het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Meissner.

1.8. Tussentijds heeft appellante zich op 18 maart 2009 opnieuw ziek gemeld met dezelfde klachten. Bij besluit op bezwaar van 1 juli 2009 (hierna: bestreden besluit 3) heeft het Uwv het besluit gehandhaafd dat appellante op 18 maart 2009 geen recht heeft op ziekengeld, omdat zij op deze datum niet ongeschikt is haar werk te verrichten.

1.9. Appellante heeft zich vervolgens op 9 juni 2009 weer ziek gemeld. In dat kader heeft zij op 8 juli 2009 het Uwv telefonisch om toestemming verzocht om van 20 juli tot en met 31 augustus 2009 met vakantie naar Turkije te mogen gaan. Deze toestemming is haar geweigerd. Appellante heeft tegen die weigering bezwaar gemaakt dat bij besluit van 5 augustus 2009 niet-ontvankelijk is verklaard (hierna: bestreden besluit 4).

1.10. In verband met haar ziekmelding op 9 juni 2009 is appellante op 22 juli 2009 door de verzekeringsarts onderzocht. Deze stelde vast dat geen sprake was van een toename van beperkingen en achtte appellante in staat om met ingang van 24 juli 2009 de haar eerdere geduide functies te verrichten. Het door appellante daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 september 2009 ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit 5).

2. Bij de aangevallen uitspraken 1, 2 en 4 heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard onder de overweging dat zij - samengevat - geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden voor het oordeel dat de medische onderzoeken van de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank heeft daarbij laten wegen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen appellante uitgebreid en voldoende diepgaand hebben onderzocht en appellante geen nieuwe medische gegevens heeft ingebracht die een ander licht kunnen werpen op de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv bij de bestreden besluiten 1, 2, 3 en 5 terecht de beslissingen gehandhaafd dat appellante op de data in geding, te weten 25 maart 2008, 20 november 2008, 18 maart 2009 en 24 juli 2009, geschikt geacht kan worden om ten minste één van de haar voorgehouden functies te verrichten.

Bij de aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard op de grond dat het Uwv terecht ervan is uitgegaan dat de weigering om appellante toestemming te geven om met vakantie te gaan niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en dat het bezwaar mitsdien terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

3. Appellante heeft zich niet met de uitspraken van de rechtbank kunnen verenigen. De gronden in hoger beroep komen erop neer dat appellante volhardt in haar standpunt dat zij vanwege haar medische beperkingen niet in staat kan worden geacht om arbeid te verrichten. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de medische onderzoeken die ten grondslag zijn gelegd aan de bestreden besluiten 1, 2, 3 en 5 onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Volgens appellante had het Uwv geen gebruik mogen maken van de bevindingen van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Meissner, omdat het onderzoek van Meissner niet lege artis is verricht en mitsdien onzorgvuldig is. Ter ondersteuning van dat standpunt heeft appellante de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle van 26 augustus 2010 ingebracht waaruit blijkt dat het college van oordeel is dat Meissner in strijd heeft gehandeld met de Richtlijn. Vanwege - met name - de gebrekkige onderbouwing van het rapport van 29 november 2007 en het feit dat Meissner ten onrechte een oordeel heeft gegeven over het percentage arbeids(on)geschiktheid van appellante, heeft het college Meissner de maatregel van berisping opgelegd. Gelet op de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is appellante voorts van mening dat zij geen eerlijk proces heeft gekregen en de uitspraak van de rechtbank in strijd is met het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bovendien heeft appellante nog naar voren gebracht dat (i) de bedrijfsarts, E.P.D. Siem-Yoe, de informatie van de behandelende psychiater had moeten afwachten alvorens tot de herbeoordeling van 17 juli 2008 over te gaan, (ii) uit de brief van de psychiater, F. Kaya, van 25 maart 2009 wel degelijk blijkt dat sprake is van nieuwe medische gegevens, (iii) bij de ziekmelding van 18 maart 2009 het Uwv de beslistermijn zoals is bedoeld in artikel 72c, tweede lid, van de ZW heeft geschonden, terwijl het medische onderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen en appellante ten onrechte met terugwerkende kracht hersteld is verklaard, en (iv) ten onrechte geen rekening is gehouden met de acute toename van appellantes rugklachten in juni 2009. Tot slot heeft appellante naar voren gebracht dat de weigering van het Uwv om haar toestemming te geven om met vakantie te gaan wel een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is. Appellante heeft in alle zaken om toekenning van schadevergoeding verzocht als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb.

4. Het Uwv heeft in alle zaken gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enige arbeid heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

5.2. Bij de bestreden besluiten 1, 2, 3 en 5 heeft het Uwv appellante steeds geschikt geacht voor (ten minste één van) de functies die voor appellante zijn geselecteerd bij de herziening van de mate van haar arbeidsongeschiktheid zoals die is vastgesteld met ingang van 7 november 2004. Echter zoals in 1.3 is overwogen, is appellante nadien in het kader van het aSB ambtshalve opnieuw beoordeeld op haar aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Bij besluit van 9 januari 2007 is appellante vervolgens meegedeeld dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is gebleven. De Raad is van oordeel dat het Uwv aan de bestreden besluiten 1, 2, 3 en 5 ten onrechte niet de voorbeeldfuncties die in het kader van het aSB voor appellante zijn geselecteerd ten grondslag heeft gelegd. De Raad zal aan dit oordeel echter geen consequenties verbinden, omdat hij heeft vastgesteld dat voor appellante zowel in de WAO-schatting ingaande

7 november 2004 als in de WAO-schatting in het kader van het aSB de functie van productiemedewerker textiel, geen kleding (Sbc code 272043) voor appellante is geselecteerd en voor haar passend is geacht. Gelet op hetgeen in 5.1 is overwogen heeft voor appellante dan als maatstaf arbeid de functie van productiemedewerker textiel te gelden.

09/1504 ZW (bestreden besluit 1)

5.3. Met betrekking tot appellantes stelling dat het bestreden besluit 1 onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat daaraan de bevindingen van de deskundige Meissner ten grondslag zijn gelegd, overweegt de Raad als volgt. Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellante na haar ziekmelding van 1 oktober 2007 twee keer door de verzekeringsarts J.C.M. Hehenkamp op het spreekuur is gezien. Deze arts heeft blijkens het medische onderzoekverslag van 14 april 2008 appellante op 18 december 2007 uitgebreid onderzocht. Tevens had deze arts de beschikking over het medische dossier van appellante. Op het spreekuur van 20 maart 2008 heeft de verzekeringsarts appellante onder andere laten weten dat er nog steeds geen reactie was binnengekomen van de haar behandelende psychiater en heeft hij appellante laten weten dat hij zich kon vinden in de conclusies van het onderzoek van de deskundige Meissner. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts E.P.D. Siem-Yoe appellante herbeoordeeld. Daartoe heeft de bezwaarverzekeringsarts de dossiergegevens bestudeerd, de hoorzitting van 22 mei 2008 bijgewoond en bij de behandelende sector medische gegevens opgevraagd die ondanks schriftelijk en telefonisch rappelleren niet werden verkregen. Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat de verzekeringsartsen zelfstandig en op zorgvuldige wijze hun onderzoek hebben verricht. De door hen uit die medische onderzoeken getrokken conclusies zijn naar het oordeel van de Raad voldoende gemotiveerd. Het is de Raad niet kunnen blijken dat aan de hier bedoelde medische onderzoeken - anders dan appellante kennelijk meent - alleen het rapport van de deskundige Meissner ten grondslag is gelegd. De Raad tekent hierbij aan dat de medische beoordeling hier inhoudt een beoordeling op de medische geschiktheid voor één van de functies die destijds in de besluitvorming over de WAO-uitkering zijn geselecteerd. Het rapport van Meissner bevestigt blijkens de genoemde uitspraak van de Raad slechts het eerder gegeven verzekeringsgeneeskundig oordeel over de geschiktheid van die functie. Ten slotte is de Raad van oordeel dat er voor de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende reden was om nog langer te wachten op de door hem bij de behandelend psychiater gevraagde inlichtingen. Het hoger beroep kan derhalve niet slagen en aangevallen uitspraak 1 moet worden bevestigd.

10/696 ZW (bestreden besluit 2)

5.4. In het kader van haar ziekmelding op 7 oktober 2008 is appellante op 6 april 2009 gezien door de bezwaarverzekeringsarts, L. ten Hove. Daarbij heeft deze arts de dossiergegevens van appellante bestudeerd, de hoorzitting van 6 februari 2009 bijgewoond en aansluitend appellante op het spreekuur onderzocht, alsmede de opgevraagde inlichtingen van de behandelende psychiatrische geneeskundigen bij het onderzoek betrokken. Hieronder bevond zich de brief van 25 maart 2009 van de psychiater, F. Kaya. Naar aanleiding van de door deze psychiater in die brief genoemde alcoholverslaving heeft nader arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden naar appellantes geschiktheid voor de voor haar in het verleden geselecteerde voorbeeldfuncties. De bezwaararbeidsdeskundige, J.G. Schipper, heeft in zijn rapportage van 21 april 2009 aangegeven dat appellante in staat was om de haar destijds voorgehouden functies te verrichten. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om de hier bedoelde onderzoeken onzorgvuldig te achten. Het bestreden besluit 2 is derhalve terecht door de rechtbank in stand gelaten.

10/698 ZW (bestreden besluit 3)

5.5. Naar aanleiding van haar ziekmelding op 18 maart 2009 is appellante andermaal door de bezwaarverzekeringsarts, L. ten Hove, op 24 juni 2009 gezien. Ook bij deze beoordeling heeft Ten Hove de dossiergegevens van appellante bestudeerd en de ontvangen informatie van de huisarts bij haar onderzoek betrokken. Aangezien appellante tot twee keer toe bijwoning van de hoorzitting had afgezegd, is zij pas op 19 juni 2009 aansluitend door de bezwaarverzekeringsarts op het spreekuur gezien. De bezwaarverzekeringsarts is vervolgens tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van een wezenlijk andere medische toestand dan op 18 maart 2009. De Raad heeft geen aanleiding gevonden om het medische onderzoek onzorgvuldig te achten. Dat appellante op grond van deze ziekmelding in eerste instantie niet is gezien door een primaire verzekeringsarts maakt dat naar het oordeel van de Raad niet anders, aangezien appellante desgevraagd aan Ten Hove heeft meegedeeld geen andere klachten te hebben dan zij heeft vermeld op het eerdere spreekuur van Ten Hove op 6 februari 2009. Met de rechtbank is de Raad overigens van oordeel dat in casu geen sprake is van een hersteldverklaring met terugwerkende kracht, maar van het door het Uwv niet accepteren van appellantes ziekmelding van 18 maart 2009.

5.6. Ingevolge het tweede lid van artikel 72c van de ZW, zoals dat artikellid luidde ten tijde hier van belang, dient een beschikking die uitsluitend betrekking heeft op het al dan niet bestaan of voortbestaan van de ongeschiktheid tot werken binnen vier weken na ontvangst van de ziekmelding te worden gegeven. Met appellante stelt de Raad vast dat deze termijn is geschonden aangezien het primaire besluit pas op 24 april 2009 is genomen. Gelet daarop had het bezwaar van appellante tegen dat besluit gegrond moeten worden verklaard. In zoverre kan het bestreden besluit 3 niet in stand blijven en evenmin de aangevallen uitspraak 2 waarbij het bestreden besluit 3 in stand is gelaten.

10/2552 ZW (bestreden besluit 4)

5.7. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb luidt als volgt: “Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.”. Artikel 7, eerste lid, van de Controlevoorschriften Ziektewet 2004 luidt als volgt: “De zieke verzekerde heeft voor een meerdaags verblijf in het buitenland toestemming nodig van UWV.”.

Bij brief van 14 juli 2009 heeft de gemachtigde van appellante bezwaar gemaakt tegen de weigering van de verzekeringsarts, J.C.M. Hehenkamp, om appellante toestemming te verlenen om met vakantie naar Turkije te gaan. De Raad stelt vast dat blijkens de notitie van 10 juli 2009 van een medewerkster van het Uwv deze weigering om toestemming te verlenen appellante telefonisch is meegedeeld. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en kan reeds daarom geen sprake kan zijn van een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Aldus heeft het Uwv het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak 3 moet worden bevestigd.

10/3698 ZW (bestreden besluit 5)

5.8. Naar aanleiding van haar ziekmelding van 9 juni 2009 is appellante door de verzekeringsarts, J.W. Troost, op 22 juli 2009 op het spreekuur onderzocht. Daarbij heeft appellante vermeld dat zij op de datum van haar ziekmelding een acute verergering van haar rugklachten had, dat het onderzoek van de neuroloog geen veranderingen heeft laten zien en zij baat heeft bij de behandeling van de pijnpoli. Op grond van deze informatie alsmede de bevindingen van zijn eigen onderzoek heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellantes beperkingen niet zijn toegenomen en zij geschikt is te achten om haar arbeid te verrichten. In het kader van de bezwaarprocedure is appellante op 22 september 2009 gezien door de bezwaarverzekeringsarts, L. ten Hove. Het onderzoek van deze arts is beperkt gebleven tot een uitgebreid dossieronderzoek, aangezien appellante heeft afgezien van de hoorzitting en van een nader medisch onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen geen aanleiding te zien om appellante ongeschikt te achten voor de haar geduide voorbeeldfuncties. Naar het oordeel van de Raad is het medische onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen zorgvuldig tot stand gekomen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet hij geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de uitkomst van de desbetreffende onderzoeken. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak 4 moet worden bevestigd.

5.9. Met betrekking tot de stelling van appellante dat zij geen eerlijk proces heeft gekregen zoals is bedoeld in artikel 6 EVRM overweegt de Raad als volgt. Die grond heeft kennelijk betrekking op de feiten van medische aard die de rechtbank in de betreffende uitspraak aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Gelet op hetgeen de Raad heeft overwogen in het bijzonder in de voorlaatste volzin van 5.3 treft die grond geen doel.

6. Op grond van hetgeen is overwogen in 5.6 ziet de Raad aanleiding om toepassing te geven aan de artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb en het Uwv in de zaak 10/698 ZW te veroordelen in de kosten van appellante in de bezwaarfase tot een bedrag van € 322,- alsmede in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 322,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-, in totaal € 966,-, voor verleende rechtsbijstand.

7. De verzoeken van appellante om schadevergoeding zal de Raad afwijzen, nu niet aannemelijk is gemaakt dat appellante schade heeft geleden ten gevolge van de onderhavige bestreden besluiten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt aangevallen uitspraak 1;

Vernietigt aangevallen uitspraak 2 voor zover daarbij bestreden besluit 3 niet is vernietigd wegens overschrijding van de beslistermijn;

Vernietigt bestreden besluit 3 in zoverre en verklaart het bezwaar tegen het besluit van

24 april 2009 in zoverre gegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van besluit 3;

Bevestigt aangevallen uitspraak 2 voor het overige;

Bevestigt aangevallen uitspraak 3;

Bevestigt aangevallen uitspraak 4;

Wijst de verzoeken om schadevergoeding af;

Veroordeelt het Uwv in de procedure met zaaknummer 10/698 ZW in de kosten van appellante in bezwaar alsmede in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv in de procedure met zaaknummer 10/698 ZW aan appellante het betaalde griffierecht van € 107,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, als voorzitter, en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Mostert.

IvR