Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1003

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
14-04-2011
Zaaknummer
08-7010 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering is juist. Geweigerd om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Niet gebleken dat iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7010 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 oktober 2008, 08/2387 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wassenaar (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2011. Appellant is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft tot 30 oktober 2007 bijstand ontvangen van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage. Bij besluit van 5 december 2007 heeft het College appellant aansluitend bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Na een bespreking op 20 november 2007 heeft het College appellant bij besluit van diezelfde datum, 20 november 2007, een voorziening aangeboden inhoudende dat hij per 4 december 2007 gaat deelnemen aan het project “Work First” bij de MareGroep. Nadat hij op 4 december 2007 niet was verschenen, is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 11 december 2007 teneinde het niet verschijnen op de afspraak op 4 december 2007 alsmede de start van het traject bij de MareGroep te bespreken. Nadat hij schriftelijk en in persoon had meegedeeld verhinderd te zijn om aan de uitnodiging voor 11 december 2007 gehoor te geven, is appellant er bij brief van 7 december 2007 op gewezen dat hij aan de oproep voor 11 december 2007 moet voldoen, waaraan de waarschuwing van een maatregel bij niet verschijnen is gekoppeld.

1.3. Omdat hij ook op 11 december 2007 niet is verschenen, heeft het College appellant bij besluit van 14 december 2007 twee maatregelen opgelegd inhoudende de verlaging van de bijstand gedurende een maand met 10% met ingang van 1 januari 2008 alsmede de verlaging van de bijstand gedurende een maand met 20% met ingang van 1 januari 2008.

1.4. Bij besluit van 19 februari 2008 heeft het College het tegen het besluit van 14 december 2007 gemaakte bezwaar gegrond verklaard in die zin dat de maatregel wordt vastgesteld op een verlaging van de bijstand met 20% gedurende een maand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 februari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van de melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WWB, verplicht om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2. Artikel 18, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, bepaalt dat, indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.3. De in artikel 18, tweede lid, van de WWB bedoelde verordening is de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Wassenaar.

4.4. Van appellant werd met het oog op zijn arbeidsinschakeling verwacht dat hij per 4 december 2007 zou gaan deelnemen aan het project “Work First” bij de MareGroep. Dit project betreft een voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Appellant was dan ook verplicht van deze voorziening gebruik te maken.

4.5. Appellant heeft in de eerste plaats de bevoegdheid van het College bestreden om hem de verplichting op te leggen om deel te gaan nemen aan het project bij de MareGroep voordat het College het besluit had genomen waarbij hem bijstand werd toegekend. Deze beroepsgrond faalt, omdat in artikel 9 van de WWB is bepaald dat de zogenoemde arbeidsverplichtingen gelden met ingang van de datum waarop een belanghebbende zich heeft gemeld ten einde bijstand aan te vragen. Dat was in het onderhavige geval

30 oktober 2007.

4.6. Appellant heeft verder enige nationaal- en internationaalrechtelijke bepalingen aangehaald die handelen over het recht op onderwijs en het verbod op dwangarbeid. Hij heeft echter in zijn hoger beroepschrift of ter zitting op geen enkele wijze onderbouwd of geconcretiseerd in hoeverre deze bepalingen afdoen aan zijn verplichting om gebruik te maken van de door het College aangeboden voorziening bij de MareGroep. Daarbij tekent de Raad wel aan dat een aangeboden voorziening niet behoeft aan te sluiten op opleidingen of werkervaringen.

4.7. Uit hetgeen onder 4.5 en 4.6 is overwogen vloeit voort dat van appellant mocht worden verwacht dat hij zich op 4 december 2007 bij de MareGroep had gemeld. Doordat hij op 4 december 2007 noch op 11 december 2007 is verschenen, was het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden de bijstand van appellant te verlagen. Daarbij is de Raad niet gebleken dat iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. In dat verband overweegt de Raad dat alleen een zwaarwegende reden een rechtvaardigingsgrond kan zijn om geen gehoor te geven aan een aanbod voor deelname aan een voorziening of een uitnodiging voor een gesprek. Een bezoek aan een hogeschool of een gestelde, maar niet nader benoemde privéomstandigheid acht de Raad niet van zodanig gewicht dat daarvoor het belang van het College dat appellant zijn uit de WWB voortvloeiende verplichtingen nakomt, zou moeten wijken.

4.8. De Raad stelt vast dat de omvang van de onderhavige maatregel in overeenstemming is met de bepalingen van de Afstemmingsverordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de omstandigheden en mogelijkheden van appellant het College aanleiding hadden moeten geven om af te zien van het opleggen van een maatregel dan wel de maatregel te matigen.

4.9. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2011.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) R. Scheffer.

HD