Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0994

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
14-04-2011
Zaaknummer
08/2336 WWB + 08/3758 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering over 2 perioden. Schending inlichtingenverplichting door geen informatie te verstrekken over een Spaanse bankrekening en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2336 WWB

08/3758 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2008, 06/4613 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.P. Kuhn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en op 13 juni 2008 een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2010. De zaak is gevoegd behandeld met zaak nrs. 09/5398 WWB, 09/5399 WWB en 09/3155 WWB. Laatstgenoemde zaak betreft de zaak van [B.S.] (hierna: [B.S.]). Appellante is verschenen met bijstand van mr. Kuhn. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad aan de gemachtigde van [B.S.] verzocht een afschrift van de rechterlijke beslissing van het Criminal Court te Malta van 16 maart 2009 inzake [B.S.] aan de Raad toe te sturen. Op 3 juni 2010 heeft de Raad dit afschrift ontvangen.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten en de gevoegde zaken weer heeft gesplitst. Thans wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante en haar echtgenoot, [B.S.], ontvingen met ingang van 18 oktober 2001 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 29 september 2005 is de (gezins)bijstand van appellante en [B.S.] met ingang van 18 september 2005 ingetrokken. [B.S.] is vanaf deze datum gedetineerd en op 6 november 2006 uitgeleverd aan de Republiek Malta. Vanaf 7 november 2005 ontving appellante bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. In verband met een mededeling van de regiopolitie Amsterdam/Amstelland van 29 september 2005, onder meer inhoudende dat [B.S.] blijkens een ingesteld strafrechtelijk financieel onderzoek betrokken is bij internationale drugshandel en een bankrekening heeft in Spanje, heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellante en [B.S.] verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, waarbij ook de bevindingen van het strafrechtelijk financieel onderzoek en gegevens uit het bedrijfsprocessensysteem van de regiopolitie Amsterdam/Amstelland zijn betrokken, en zijn [B.S.] en appellante verhoord. Uit dit onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat [B.S.] een bankrekening heeft bij de [naam bank] te Spanje (hierna: Spaanse bankrekening) waarop in de periode van 1 april 2004 tot en met 9 mei 2005 een drietal stortingen zijn gedaan tot een bedrag van in het totaal € 11.600,--.

1.3. De DWI heeft appellante in mei 2006 verzocht om de volledige administratie en bewijsstukken van de Spaanse bankrekening over te leggen. Bij brief van 23 mei 2006 heeft appellante te kennen gegeven dat deze bankrekening haar volstrekt onbekend is en dat zij niet beschikt over de gevraagde informatie.

1.4. Bij besluit van (uiteindelijk) 10 juli 2006 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 14 april 2006 ingetrokken. Bij besluit van 1 augustus 2006 (hierna: besluit I) heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 juli 2006 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen informatie te verstrekken over de Spaanse bankrekening en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.5. In de bevindingen van het onderzoek van de afdeling Handhaving van de DWI, neergelegd in een proces-verbaal van 19 juni 2006, heeft het College voorts aanleiding gezien om bij besluit van 15 augustus 2006, voor zover hier van belang:

- de aan appellante en [B.S.] verleende (gezins)bijstand over de periode van 18 oktober 2001 tot en met 17 september 2005 in te trekken;

- de aan appellante verleende bijstand over de periode van 7 november 2005 tot en met 12 april 2006 in te trekken en

- de over beide periodes gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van in het totaal € 70.263,05. Hierbij is vermeld dat appellante en [B.S.] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van de kosten van de verleende gezinsbijstand tot een bedrag van € 64.794.90.

1.6. Bij besluit van 4 januari 2007 (hierna: besluit II) heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 augustus 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen besluit I - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard, dat besluit wegens een onjuiste wettelijke grondslag vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Bij diezelfde uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen besluit II gegrond verklaard, dat besluit wegens een ondeugdelijke motivering vernietigd voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 18 oktober 2001 tot en met 17 september 2005 en wat betreft de terugvordering in zijn geheel, en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College bij het in rubriek I genoemde besluit van 13 juni 2008 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 augustus 2006 met een gewijzigde motivering wederom ongegrond verklaard. Daarbij is de intrekkingsperiode, waarop de vernietiging door de rechtbank ziet, gewijzigd in de periode van 1 juli 1997 tot en met 17 september 2005. De Raad merkt het besluit van 13 juni 2008 aan als een besluit dat met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling moet worden betrokken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De omvang van het hoger beroep

5.1.1. Ter zitting van de Raad heeft appellante betoogd dat het door haar ingestelde hoger beroep mede is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij besluit II, voor zover betrekking hebbend op de intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 7 november 2005 tot en met 13 april 2006, in stand is gelaten. De Raad stelt echter vast dat appellante in het (aanvullend) hoger beroepschrift op geen enkele wijze kenbaar heeft gemaakt ook dat onderdeel van de aangevallen uitspraak aan te vechten, maar het hoger beroep juist uitdrukkelijk heeft beperkt tot het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit I. Ook anderszins heeft appellante binnen de hoger beroepstermijn niet aangegeven dat haar hoger beroep een bredere strekking had. Dit brengt met zich dat, wat de aangevallen uitspraak betreft, slechts de intrekking van de bijstand van appellante met ingang van 14 april 2006 in geding is.

5.2. De aangevallen uitspraak

5.2.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking van de bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat in dit geval de periode van 14 april 2006 tot en met 10 juli 2006 ter beoordeling voorligt.

5.2.2. Vaststaat dat appellante en [B.S.] in deze periode met elkaar waren gehuwd. Weliswaar leefden zij als gevolg van de detentie van [B.S.] feitelijk gescheiden van elkaar, maar met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten bieden voor het standpunt dat appellante in die periode duurzaam gescheiden van [B.S.] heeft geleefd in de zin van artikel 3, aanhef en onder b, van de WWB. Derhalve was sprake van een situatie als bedoeld in artikel 32, vierde lid, van de WWB. Dit brengt met zich dat, hoewel appellante in verband met de detentie van [B.S.] bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is verleend, ook de middelen waarover [B.S.] beschikt of redelijkerwijs kan beschikken van invloed (kunnen) zijn op het recht op bijstand van appellante.

5.2.3. Hieruit volgt dat appellante op grond van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting gehouden was de door het College gevraagde gegevens over de Spaanse bankrekening te verstrekken. Vaststaat dat appellante deze gegevens in de in geding zijnde periode niet heeft verstrekt. Reeds gelet op de omstandigheid dat appellante, ondanks het feit dat zij een alleenstaandenuitkering ontving, voor de toepassing van de WWB als een gehuwde moet worden aangemerkt, kan zij zich er niet op beroepen dat de Spaanse bankrekening haar onbekend is of dat zij daarvan geen weet heeft. De Raad zoekt hierbij aansluiting bij zijn vaste rechtspraak dat geen van de in de gezinsbijstand begrepen partners zich met vrucht kan beroepen op onbekendheid met of onwetendheid van (een onderdeel van) de financiële situatie van de partner. Daarnaast ziet de Raad in de hem ter beschikking staande gegevens geen reden om aan te nemen dat appellante ten tijde hier van belang redelijkerwijs niet via [B.S.] de beschikking had kunnen krijgen over de gevraagde gegevens betreffende de Spaanse bankrekening. De detentie van [B.S.] hoefde hiervoor in ieder geval geen beletstel te vormen, waarbij de Raad in aanmerking neemt dat [B.S.] pas na afloop van de in geding zijnde periode is uitgeleverd aan Malta. De door appellante in hoger beroep overgelegde brief van de [naam bank] van 17 maart 2009, waarin staat dat bankgegevens uitsluitend aan de Spaanse autoriteiten worden verstrekt, doet aan het voorgaande niet af. [B.S.] was immers rekeninghouder van de Spaanse bankrekening.

5.2.4. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.2.2 en 5.2.3 is de Raad met de rechtbank en het College van oordeel dat appellante in de hier in geding zijnde periode de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet is nagekomen en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Derhalve was het College bevoegd de bijstand van appellante met ingang van 14 april 2006 in te trekken. De wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, is door appellante niet bestreden.

5.2.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.3. Het besluit van 13 juni 2008

5.3.1. De Raad stelt vast - hetgeen de gemachtigde van het College ook heeft erkend - dat het College bij dit besluit ten onrechte 1 juli 1997 als aanvangsdatum van de hier in geding zijnde intrekkingsperiode heeft genomen. Dit betekent dat het besluit van 13 juni 2008 dient te worden vernietigd voor zover het betreft de intrekking van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 17 oktober 2001.

5.3.2. In zijn uitspraak van heden in de zaak van [B.S.], registratienummer 09/3155 WWB, heeft de Raad geoordeeld dat op grond van de beschikbare gegevens aannemelijk is dat [B.S.] zich in ieder geval sedert 1995 bezighield met, kort gezegd, criminele activiteiten. Uit deze uitspraak blijkt voorts dat [B.S.] vanaf december 2001 zijn betrokkenheid bij internationale drugshandel heeft erkend. Hieruit volgt dat [B.S.] de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van deze activiteiten en dat als gevolg daarvan zijn recht op bijstand over de hier aan de orde zijnde periode van 18 oktober 2001 tot en met 17 september 2005 niet kan worden vastgesteld. Hieruit vloeit voort dat het College bevoegd was de (gezins)bijstand van appellante en [B.S.] over de periode van 18 oktober 2001 tot en met 17 september 2005 in te trekken. De wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, noch de (hoogte van de) terugvordering is door appellante bestreden.

5.3.3. Uit hetgeen is overwogen onder 5.3.2 volgt dat het besluit van 13 juni 2008 in rechte stand houdt, voor zover het ziet op de periode van 18 oktober 2001 tot en met 17 september 2005.

5.4. Proceskosten

5.4.1. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.3.1 ziet de Raad aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze worden begroot op € 483,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 juni 2008 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het betreft de intrekking van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 17 oktober 2001, en verklaart dit beroep voor het overige ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 483,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en J.N.A. Bootsma en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2011.

(get.) R. Kooper.

(get.) J. de Jong.

RH