Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0868

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2011
Datum publicatie
12-04-2011
Zaaknummer
10-2363 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen berust op goede gronden. Indien een betrokkene eerst geruime tijd na de aanvang van de gestelde arbeidsongeschiktheid een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering indient, komt het nadeel dat de medische situatie van betrokkene op de gestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet meer met zekerheid is vast te stellen voor zijn rekening en risico. In het licht van dit bewijsrechtelijke uitgangspunt is niet aannemelijk gemaakt dat appellant op en na 13 september 1993 bij voortduring 52 weken arbeidsongeschikt is gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2363 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 31 maart 2010, 09/4542 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv aan de Raad enkele stukken doen toekomen.

Bij brief van 22 november 2010 zijn namens appellant nadere (medische) stukken aan de Raad toegezonden.

Bij brief van 1 december 2010 heeft het Uwv desgevraagd een nadere reactie aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2011. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als schilder toen hij op 22 juni 1993 uitviel wegens psychische klachten. Op 1 augustus 1993 is het dienstverband van appellant geƫindigd. Bij besluit van 16 november 1993 is de uitkering welke appellant ingevolge de Ziektewet (ZW) ontving per 27 september 1993 beƫindigd omdat appellant niet meer ongeschikt werd geacht voor het verrichten van arbeid. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Appellant heeft bij brief van 16 juli 2008 een kopie van een op 4 april 2008 gedateerde aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering bij het Uwv ingediend.

1.3. Naar aanleiding van die aanvraag heeft verzekeringsarts M.S.G. Fouad een onderzoek ingesteld, waarvan deel uitmaakte lichamelijk onderzoek en bestudering van door appellant ingebrachte informatie, waaronder een verklaring van bedrijfsarts T. Brand, verbonden aan het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCB) van 10 oktober 2003 en een ongedateerde rapportage neuropsychologisch onderzoek van I. de Vries, psychologisch assistente en E.M. Wekking, gezondheidszorgpsycholoog/ neuropsycholoog, eveneens verbonden aan het NCB, en een brief van bedrijfsarts Brand van 29 januari 2004 waarin voornoemde rapportage is samengevat. Op grond van de medische gegevens en de onderzoeksbevindingen heeft verzekeringsarts Fouad 13 september 1993 - overeenkomstig de claim van appellant - als eerste arbeidsongeschiktheidsdag aangenomen en appellants belastbaarheid per einde wachttijd en per 2 februari 2009 vastgesteld.

1.4. Naar aanleiding van vragen van de procesbegeleider heeft staf-verzekeringsarts J. van Eekelen in zijn rapport van

17 april 2009 geconcludeerd dat de door verzekeringsarts Fouad aangenomen eerste arbeidsongeschiktheidsdag door appellant niet aannemelijk is gemaakt en dat een nieuw medisch onderzoek is aangewezen.

1.5. Op 17 april 2009 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het met een besluit gelijk te stellen uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

1.6. In het kader van de bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek het dossier bestudeerd, appellant gezien op het spreekuur en informatie opgevraagd bij de huisarts van appellant. Op basis van het onderzoek heeft Koek in haar rapport van 16 juni 2009 vastgesteld dat er geen medische stukken zijn waaruit blijkt dat er in 1993 sprake is geweest van een ernstige psychiatrische stoornis of een ernstig lichamelijk lijden. Voorts heeft zij vastgesteld dat appellant op

27 september 1993 hersteld is verklaard en dat uit de testuitslagen blijkt dat appellant in 2003, derhalve 10 jaar na de hersteldverklaring, een depressieve stoornis had, naast cognitieve stoornissen. Zij heeft vervolgens geconcludeerd dat er geen medische feiten zijn die onderbouwen dat appellant op en na 27 september 1993 alsnog bij voortduring ongeschikt moet zijn gebleven voor zijn werk gedurende 52 weken. De reactie van appellant op dit rapport heeft Koek niet tot een ander oordeel geleid.

1.7. Bij besluit van 6 juli 2009 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

1.8. Bij besluit van 4 augustus 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 6 juli 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover daarmee niet is beslist op het bezwaar gericht tegen het met een besluit gelijk te stellen uitblijven van een beslissing, het bezwaar hiertegen niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij beslissingen gegeven omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van hetgeen hij reeds in beroep naar voren heeft gebracht, hetgeen er - kort gezegd - op neer komt dat uit de stukken is af te leiden dat appellant op en na

13 september 1993 bij voortduring 52 weken arbeidsongeschikt is gebleven en dat het Uwv doorslaggevende betekenis had moeten toekennen aan het rapport van verzekeringsarts Fouad. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op de door hem in het geding ingebrachte (medische) stukken.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad stelt voorop dat indien een betrokkene eerst geruime tijd na de aanvang van de gestelde arbeidsongeschiktheid een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering indient, naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 maart 2004, LJN AO9259) het nadeel dat de medische situatie van betrokkene op de gestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet meer met zekerheid is vast te stellen voor zijn rekening en risico komt. Een zodanige situatie is in dit geval aan de orde, nu appellant zijn aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering bijna

15 jaar na de door hem gestelde arbeidsongeschiktheid heeft ingediend.

4.3. In het licht van dit bewijsrechtelijke uitgangspunt acht de Raad niet aannemelijk gemaakt dat appellant op en na

13 september 1993 bij voortduring 52 weken arbeidsongeschikt is gebleven of dat hij daarna in een relevante (verzekerde) periode onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geworden en daarin is gebleven. Daarvoor zijn naar het oordeel van de Raad in ieder geval geen aanknopingspunten te vinden in de uit 2003 en 2004 daterende gegevens van het NCB, nu deze gegevens geen relevante informatie bevatten over 1993. Evenmin ziet de Raad daarvoor aanknopingspunten in de verklaring van huisarts A.R. Jonkhof van 2 juni 2009. Jonkhof heeft weliswaar verklaard dat appellant in 1993 overspannen was na zijn ontslag als schilder, hetgeen ook door het Uwv is erkend, maar uit zijn verklaring blijkt niet dat appellant dientengevolge voor langere tijd arbeidsongeschikt is gebleven. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv dan ook terecht geen doorslaggevende betekenis gehecht aan de rapportage van verzekeringsarts Fouad nu deze, zoals staf-verzekeringsarts Van Eekelen in zijn rapport van 17 april 2009 heeft vastgesteld, de vaststelling van 13 september 1993 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag, niet heeft gebaseerd op de in het dossier aanwezige medische gegevens. De door appellant in hoger beroep ingebrachte (medische) gegevens leiden de Raad niet een ander oordeel nu deze gegevens geen betrekking hebben op de data en perioden hier in geding.

4.4. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W Schuttel als voorzitter en H.J. Simon en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T. Dolderman.

NK