Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0611

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2011
Datum publicatie
12-04-2011
Zaaknummer
08-7034 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overplaatsing naar tijdelijke functie. Uit de diverse verklaringen komt een eenduidig beeld naar voren omtrent het functioneren van betrokkene op het vlak van samenwerken en communiceren, en omtrent de daardoor ontstane onhoudbare situatie op de desbetreffende afdeling. Nu ten tijde van het overplaatsingsbesluit geen structurele passende functie beschikbaar was en appellant zich bij het overplaatsingsbesluit heeft verplicht zich in te spannen om betrokkene zo spoedig mogelijk te plaatsen in een structurele passende functie, is de Raad van oordeel dat de tijdelijke in redelijkheid aan betrokkene kon worden opgedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7034 AW en

09/3885 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van Bestuur van het Academisch Ziekenhuis Maastricht (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 november 2008, 08/646 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 31 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 6 juli 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.L.M. van de Laar, advocaat te Maastricht, en prof. dr. S. van der Linden en mr. E.G.M. Doeleman, beiden werkzaam bij het Academisch Ziekenhuis Maastricht (AZM). Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. N.P.J. Frijns, advocaat te Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was sinds 1 november 2000 werkzaam als [naam functie] bij de [naam afdeling] van het AZM. Vanaf augustus 2003 behoorde het leidinggeven aan het medische secretariaat van de [afdeling] niet meer tot het takenpakket van betrokkene. Na de komst van een nieuw afdelingshoofd, S, werd besloten vanaf eind 2004 het medisch secretariaat duaal aan te sturen, te weten voor werkgroepspecifieke taken door de onderafdelingshoofden en voor de algemene zaken door betrokkene. Vanaf april 2006 heeft de 1e secretaresse van de [afdeling] de operationele aansturing van het medische secretariaat verricht. Op 20 oktober 2006 heeft het afdelingshoofd S betrokkene aangesproken op een door hem ontvangen brief van 12 oktober 2006 van de Universiteit Maastricht, waarin staat vermeld dat betrokkene niet reageert op bepaalde brieven en e-mails van die universiteit. Met ingang van 23 oktober 2006 heeft betrokkene zich ziek gemeld. Nadat de bedrijfsarts betrokkene in december 2006 arbeidsgeschikt heeft geacht is geconcludeerd dat terugkeer van betrokkene naar zijn [naam functie] op de [afdeling] niet verstandig is en dat appellant en betrokkene zich zullen inspannen om voor betrokkene een andere passende functie te vinden. In afwachting van herplaatsing in een structurele passende functie is betrokkene van 7 februari 2007 tot eind april 2007 gedetacheerd naar de [naam Resultaat Verantwoordelijke Eenheid] van het AZM en heeft daar met name administratieve werkzaamheden verricht.

1.2. Bij besluit van 28 augustus 2007 is betrokkene met toepassing van artikel 9.1, tweede lid, van de CAO Universitair Medische Centra (CAO-UMC) overgeplaatst van de functie [naam functie] bij de [afdeling] naar de tijdelijke functie van [naam functie] op de [naam afdeling]. Daarbij is aangegeven dat appellant zich zal inspannen betrokkene zo spoedig mogelijk te plaatsen in een structurele, passende functie. Appellant is tot de overplaatsing van betrokkene overgegaan, omdat volgens appellant als gevolg van betrokkenes wijze van samenwerken en communiceren en zijn wisselende stemmingen, de verhoudingen tussen de secretariële medewerkers, onderafdelingshoofden en het afdelingshoofd van de [afdeling] enerzijds en betrokkene anderzijds onherstelbaar zijn verstoord. Het besluit van

28 augustus 2007 is, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 19 maart 2008.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel vernietigd en bepaald dat appellant, met inachtneming van haar uitspraak, een nieuw besluit op het bezwaar neemt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de stelling van appellant dat de verhoudingen tussen betrokkene en zijn directe collega’s op de [afdeling] verstoord zijn door het disfunctioneren van betrokkene als [naam functie], weinig concreet is onderbouwd. Volgens de rechtbank heeft appellant onvoldoende aan dossiervorming gedaan en kan hetgeen aan bewijs voorligt de ontheffing uit de [functie] niet dragen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 6 juli 2009 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij het bezwaarschrift van betrokkene wederom ongegrond is verklaard. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede uitstrekt tot dat besluit. Anders dan appellant meent, betekent daarom het niet door betrokkene aanwenden van rechtsmiddelen tegen het nieuwe besluit van 6 juli 2009 niet dat dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

3.2. In art 9.1, tweede lid, van de CAO-UMC is - kort gezegd - bepaald dat wanneer het dienstbelang dit vereist de medewerker verplicht is een andere functie te aanvaarden die hem in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten redelijkerwijs kan worden opgedragen.

3.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 13 april 2006, LJN AW4558 en TAR 2006, 118) bestaat een overplaatsing zoals hier in geding uit twee componenten, te weten de ontheffing uit de ene betrekking en het opdragen van een andere betrekking.

3.4. De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht op basis van de haar ter beschikking gestelde gegevens heeft geconcludeerd dat onvoldoende is gemotiveerd dat ten tijde in geding sprake was van een zodanig onhoudbare situatie op de [afdeling] als gevolg van het disfunctioneren van betrokkene als [naam functie] dat het dienstbelang ontheffing van betrokkene uit die functie vereiste.

3.4.1. De Raad constateert met de rechtbank dat voor het standpunt van appellant dat de verhoudingen tussen betrokkene en zijn directe collega’s van de [afdeling] verstoord waren, in de gedingstukken die de rechtbank ter beschikking stonden geen concrete onderbouwing is te vinden. Ook de door appellant geuite kritiek op het functioneren van betrokkene op het vlak van communicatie en samenwerking wordt in die gedingstukken nauwelijks geconcretiseerd. Evenmin zijn in die gedingstukken verslagen te vinden van de gesprekken die volgens appellant geregeld met betrokkene zijn gevoerd over zijn disfunctioneren en over de verstoorde verhoudingen op de [afdeling]. In de gedingstukken bevindt zich slechts één beoordeling van het functioneren van betrokkene als [naam functie] over de periode van 1 juni 2004 tot 23 oktober 2006. Die beoordeling is vastgesteld op 16 maart 2007, dus geruime tijd nadat betrokkene reeds feitelijk was ontheven uit zijn functie. Tegen die beoordeling heeft betrokkene bezwaar gemaakt, waarop niet is beslist door appellant. Die beoordeling is dan ook, anders dan appellant meent, niet onherroepelijk geworden. Aan de beoordeling kan dan ook naar het oordeel van de Raad niet die betekenis worden gehecht die appellant daaraan gehecht wil zien.

3.4.2. Appellant heeft gesteld dat het weghalen bij betrokkene van zijn leidinggevende taak over het secretariaat in 2003 en het aanstellen van een 1e secretaresse voor de operationele aansturing van het secretariaat in april 2006 zijn oorsprong vindt in de verstoorde verhoudingen op de [afdeling] vanwege het disfunctioneren van betrokkene. In de gedingstukken die de rechtbank ter beschikking stonden heeft de Raad weinig tot geen steun voor deze stelling kunnen vinden. In de eindrapportage resultaten sterkte-zwakteanalyse IG van juni 2005 zijn naar het oordeel van de Raad wel aanwijzingen te vinden dat er toen mogelijk een onhoudbare situatie bestond op de [afdeling] als gevolg van de wijze van communiceren en de houding en het gedrag van betrokkene. Nu evenwel niet duidelijk is of dit rapport berust op een zorgvuldig uitgevoerd onderzoek en wordt gedragen door hetgeen in dat onderzoek naar voren is gekomen, kan ook aan dit rapport naar het oordeel van de Raad niet die betekenis worden gehecht die appellant daaraan gehecht wil zien.

3.4.3. Volgens appellant was voor het afdelingshoofd S de maat vol toen hem uit de brief van 12 oktober 2006 was gebleken dat betrokkene zich niet aan de met S gemaakte afspraak had gehouden om S regelmatig en adequaat te informeren over het reilen en zeilen op de [afdeling] wat betreft de taakgebieden van betrokkene en de voortgang van de door S aan betrokkene gedelegeerde taken. Dat deze afspraak tussen S en betrokkene was gemaakt, is de Raad evenmin uit de gedingstukken gebleken die de rechtbank ter beschikking stonden. Evenmin is komen vast te staan dat de zorg voor de betaling van de facturen waarover in de desbetreffende brief is geschreven onderdeel van betrokkenes [functie] was.

3.4.4. Ook met de in eerste aanleg overgelegde verklaring van het afdelingshoofd v/d L van 10 juli 2008 heeft appellant naar het oordeel van de Raad niet aangetoond dat het dienstbelang de overplaatsing van betrokkene in 2007 vereiste, alleen al omdat v/d L uitsluitend kan verklaren - en ook heeft verklaard - over de situatie zoals die tot juni 2004 op de [afdeling] was. Tot die tijd was hij immers hoofd van die afdeling.

3.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op basis van de aan de rechtbank ter beschikking staande gegevens niet deugdelijk is vast te stellen dat het belang van appellant om betrokkene te ontheffen uit zijn functie groter is dan het belang van betrokkene bij behoud van zijn functie. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat dat besluit op die grond voor vernietiging in aanmerking kwam.

3.6. Op basis van de in hoger beroep alsnog ter beschikking gekomen gegevens is de Raad echter van oordeel dat appellant in hoger beroep wel voldoende heeft aangetoond dat het dienstbelang vorderde dat betrokkene uit zijn functie werd ontheven. Uit de vele ondertekende verklaringen van secretarieel medewerkers, P&O-adviseur, onderafdelingshoofden, afdelingshoofden en adjunct-directeur komt naar het oordeel van de Raad voldoende concreet naar voren dat betrokkene zich intimiderend, bedreigend en uiterst dominant richting secretariële medewerkers en andere directe collega’s heeft opgesteld, waardoor zij geen vertrouwen meer in betrokkene hadden als [naam functie]. Voorts blijkt uit die verklaringen dat de aansturing van het secretariaat in 2003 en opnieuw in 2006 uit het takenpakket van betrokkene is gehaald vanwege de verstoorde verhoudingen op de afdeling als gevolg van het disfunctioneren van betrokkene op het communicatieve vlak. Ook blijkt dat er regelmatig bemiddelende gesprekken en gesprekken over zijn disfunctioneren op dit punt met betrokkene hebben plaatsgevonden. Deze maatregelen en gesprekken hebben echter niet het gewenste resultaat opgeleverd.

3.7. Bij zijn weging van genoemde verklaringen heeft de Raad betekenis toegekend aan het gegeven dat deze verklaringen onafhankelijk van elkaar zijn afgelegd en dat deze in onderlinge samenhang een eenduidig beeld vertonen omtrent het functioneren van betrokkene als [naam functie] op het vlak van samenwerken en communiceren en omtrent de daardoor ontstane onhoudbare situatie op de [afdeling] ten tijde in geding. Hetgeen door betrokkene naar voren is gebracht vormt voor de Raad geen aanleiding om deze verklaringen in twijfel te trekken.

3.8. Vervolgens dient de Raad de vraag te beantwoorden of de aan betrokkene opgedragen functie van [naam functie] in het kader van toepassing van artikel 9.1, tweede lid, van de CAO-UMC als een passende functie kan worden aangemerkt. Volgens betrokkene was deze functie niet passend uitsluitend vanwege het niet structurele karakter daarvan. Nu ten tijde van het overplaatsingsbesluit geen structurele passende functie beschikbaar was en appellant zich bij het overplaatsingsbesluit heeft verplicht zich in te spannen om betrokkene zo spoedig mogelijk te plaatsen in een structurele passende functie, is de Raad van oordeel dat de tijdelijke functie van [naam functie] in redelijkheid aan betrokkene kon worden opgedragen.

4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie, dat de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd vanwege het daaraan klevende motiveringsgebrek, maar dat op basis van de nadere in hoger beroep door appellant overgelegde gegevens de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd behoudens voor zover daarbij aan appellant is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. Daarmee is aan het besluit van 6 juli 2009 de grondslag komen te ontvallen, zodat dit besluit moet worden vernietigd.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij aan appellant opdracht is gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 19 maart 2008 geheel in stand blijven;

Vernietigt het besluit van 6 juli 2009;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen

(get.) I. Mos

ew