Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0481

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
07-04-2011
Zaaknummer
08-3835 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking loonkostensubsidie. Terugvordering. Werkgever failliet is verklaard. De curator neemt het geding niet over. Het College heeft meegedeeld gebruik te maken van het in artikel 27, tweede lid, van de FW neergelegde recht om ontslag van instantie te vragen. Hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3835 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[naam stichting], voorheen statutair gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2008, 08/8 en 07/3628 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. A.W. van Ojen, werkzaam bij Sradwo B.V. te ’t Goy, hoger beroep ingesteld.

Namens het College heeft mr. R.A.M. Galligan, werkzaam bij Stichting Pantar te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Partijen zijn bij brief van 30 augustus 2010 in kennis gesteld van de behandeling van het geding ter zitting van de Raad op 28 september 2010. De behandeling ter zitting heeft echter geen doorgang gevonden ten gevolge van de vóór de zitting ontvangen informatie dat appellant op 10 november 2009 failliet is verklaard.

Bij brieven van 23 februari 2011 heeft de Raad partijen meegedeeld dat het vooronderzoek is voltooid en partijen daarbij verzocht om toestemming om nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Beide partijen hebben deze toestemming verleend.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluiten van respectievelijk 13 april 2005, 19 januari 2006 en 12 december 2006 heeft het College appellant met betrekking tot de jaren 2005 respectievelijk 2006 en 2007 op basis van de Wet werk en bijstand (WWB) loonkostensubsidies toegekend ten behoeve van werknemer [naam werknemer].

1.2. Bij besluit van 14 juni 2007 is de subsidievaststelling voor de periode van 1 januari 2005 tot en met 14 juni 2007 op nihil gesteld en zijn de betaalde voorschotten over deze periode ten bedrage van respectievelijk € 19.937,--, € 19.408,-- en € 4.000,-- van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 20 augustus 2007 heeft het College de onder 1.1 genoemde beschikkingen ingetrokken en de ten onrechte verstrekte subsidies van appellant teruggevorderd.

1.4. Het College heeft de bezwaren tegen de besluiten van 14 juni 2007 en 20 augustus 2007 bij besluit van 10 oktober 2007 ongegrond verklaard. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat het College bij gebreke van door appellant te verstrekken informatie over de WAO-uitkeringen van werknemer [naam werknemer] niet tot verrekening met de toegekende loonkostensubsidies heeft kunnen overgaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam - voor zover hier nog van belang - met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, en met bepalingen over vergoeding van de proceskosten en het griffierecht, het beroep van appellant tegen het besluit van 10 oktober 2007, voor zover dit ziet op intrekking en terugvordering van de subsidie over de jaren 2005 en 2007, gegrond verklaard, dit besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat het College opnieuw op het bezwaar van appellant beslist.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het beroep tegen de bij besluit van 10 oktober 2007 gehandhaafde intrekking en terugvordering van de subsidie over het jaar 2006 ongegrond is verklaard.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College bij besluit van 14 mei 2008 het bezwaar tegen de besluiten van 14 juni 2007 en 20 augustus 2007, voor zover deze zien op de intrekking en terugvordering van de subsidie over de jaren 2005 en 2007, gegrond verklaard, deze besluiten (in zoverre) herroepen en bepaald dat de kosten van de bezwaarprocedure worden vergoed.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. In artikel 8:22, eerste lid, van de Awb - voor zover hier van belang - is bepaald dat in geval van faillissement de artikelen 25, 27 en 31 van de Faillissementswet (FW) van overeenkomstige toepassing zijn. Deze bepaling is ook van toepassing op het hoger beroep.

5.2. Bij brief van 3 september 2010 heeft de Raad het College geïnformeerd over het faillissement van appellant en gegevens verstrekt over de curator in dit faillissement. Daarbij heeft de Raad het College verzocht mee te delen of het College gebruik wenst te maken van de in artikel 27, eerste lid, van de FW geboden mogelijkheid om schorsing van het geding te vragen teneinde de curator in de gelegenheid te stellen het geding van appellant over te nemen.

5.3. In reactie op de brief van de Raad van 3 september 2010 is namens het College verzocht om schorsing van het geding.

5.4. Bij brief van 27 oktober 2010 heeft de Raad de waarnemend curator verzocht of hij het geding wenst over te nemen. In reactie hierop heeft de waarnemend curator de Raad bij brief van 1 november 2010 laten weten het geding niet over te nemen.

5.5. Desgevraagd heeft het College bij brief van 23 oktober 2010 (lees: 23 november 2010), meegedeeld gebruik te maken van het in artikel 27, tweede lid, van de FW neergelegde recht om ontslag van instantie te vragen.

5.6. Vervolgens heeft de Raad mr. Van Ojen, als gemachtigde van de gefailleerde [naam stichting], bij brief van 8 december 2010 verzocht om een reactie op het verzoek van het College. Daarop heeft mr. Van Ojen de Raad bij brief van 20 december 2010 laten weten geen aanleiding te zien voor het maken van opmerkingen.

5.7. Op grond van hetgeen onder 5.1 tot en met 5.6 is overwogen, ziet de Raad, gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb, aanleiding het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. van Dam.

HD