Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0429

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2011
Datum publicatie
07-04-2011
Zaaknummer
11/851 AW-VV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Disciplinair ontslag wegens plichtsverzuim. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Geen sprake van het vereiste spoedeisend belang. Het gevolg van de aangevallen uitspraak voor verzoeker is niet meer (en niet minder) is dan dat hij met inachtneming van de (dragende) overwegingen in die uitspraak, die in het bijzonder zien op nader onderzoek naar het verweten ongeoorloofde verzuim, een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen. In de periode van nadere besluitvorming blijft het aan betrokkene gegeven ontslag in stand. Het besluit van 19 maart 2009 is immers niet door de rechtbank vernietigd terwijl het daartegen gemaakte bezwaar, gegeven artikel 6:16 van de Awb, de werking van dit besluit niet schorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/851 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

de Minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 december 2010, 09/8508 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

verzoeker

Datum uitspraak: 28 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2011. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. van Dijk, werkzaam bij Expertisecentrum Arbeidsjuridisch, en R.E.C. Pols en A. Zoutenbier, beiden werkzaam bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. S. van der Giesen, advocaat te Gouda.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Bij besluit van 19 maart 2009 is betrokkene primair op grond van artikel 81, eerste lid, onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) de straf van disciplinair ontslag opgelegd wegens plichtsverzuim. Subsidiair is aan betrokkene op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR ontslag verleend wegens ongeschiktheid. Voor beide geldt dat het ontslag in hoofdzaak is gebaseerd op ongeoorloofde afwezigheid van betrokkene.

2.2. Het door betrokkene tegen het ontslagbesluit gemaakte bezwaar is bij bestreden besluit van 28 oktober 2009 ongegrond verklaard.

2.3. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verzoeker opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat het verweten, ongeoorloofde verzuim nader onderzoek behoeft en heeft het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Ten betoge van zijn spoedeisend belang bij schorsing van de werking van de aangevallen uitspraak heeft verzoeker aangevoerd dat hij ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genoodzaakt is een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen die inhoudt dat het dienstverband met betrokkene moet worden hersteld. Verzoeker acht dit zeer onwenselijk. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat de aangevallen uitspraak naar alle waarschijnlijkheid in de bodemprocedure geen stand zal houden.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Het door verzoeker aangeduide spoedeisend belang is gelegen in de onwenselijkheid van terugkeer van betrokkene in haar functie en de daarbij komende financiële consequenties.

4.3. De voorzieningenrechter stelt vast dat het gevolg van de aangevallen uitspraak voor verzoeker niet meer (en niet minder) is dan dat hij met inachtneming van de (dragende) overwegingen in die uitspraak, die in het bijzonder zien op nader onderzoek naar het verweten ongeoorloofde verzuim, een nieuwe beslissing op bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2009 moet nemen. In de periode van nadere besluitvorming blijft het aan betrokkene gegeven ontslag in stand. Het besluit van 19 maart 2009 is immers niet door de rechtbank vernietigd terwijl het daartegen gemaakte bezwaar, gegeven artikel 6:16 van de Awb, de werking van dit besluit niet schorst. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat er geen sprake is van het vereiste spoedeisend belang.

4.4. Verzoeker heeft in dit kader ter zitting opgemerkt dat hij de aangevallen uitspraak anders heeft uitgelegd. Hij heeft erop gewezen dat de rechtbank immers heeft overwogen dat zelfs al zal het ongeoorloofde verzuim wel komen vast te staan, de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag dan niet evenredig zal zijn te achten aan het plichtsverzuim. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet omdat de rechtbank de bedoelde overweging uitdrukkelijk “ten overvloede” heeft gegeven. Hierdoor heeft deze overweging geen bindende werking.

4.5. Op grond van het vorenstaande wordt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

5. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verzoeker met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene, begroot op € 437,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;

Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 437,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) I. Mos.

HD