Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0404

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
07-04-2011
Zaaknummer
10-491 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht (meer) op ziekengeld. Appellante is laatstelijk werkzaam is geweest als aardappelsorteerder/productiemedewerker. Deze functie is terecht als maatstaf arbeid aangemerkt. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben op inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn arbeid. Uit het heronderzoek door de bezwaarverzekeringsarts is niet gebleken waarom appellant niet aan het arbeidsproces zou kunnen of mogen deelnemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/491 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats]k (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 6 januari 2010, 08/1085 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A. de Boer, advocaat te Sneek, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij een rapportage van 1 maart 2010 van bezwaarverzekeringsarts L.J. Zwemer is overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2011. Appellant en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk vanaf 11 januari 2007 werkzaam geweest als aardappelsorteerder/productiemedewerker. Op 19 juli 2007 heeft hij zich ziek gemeld wegens psychische klachten. Het dienstverband op basis van een jaarcontract is per 8 januari 2008 beƫindigd. Aansluitend aan het einde van het dienstverband is aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Op 19 maart 2008 is appellant gezien op het spreekuur van verzekeringsarts A.J.M. Hermans-van Diepen die, na verkregen informatie van de behandelend sector, in een aanvullende rapportage van 21 april 2008 heeft aangegeven dat appellant per 22 april 2008 geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk. Op grond hiervan heeft zij namens het Uwv bij besluit van 21 april 2008 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 22 april 2008 geen recht (meer) heeft op ziekengeld.

1.3. Bij besluit van 22 mei 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 april 2008, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts M.C. Wijnen van 16 mei 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn klachten en ziekte zijn onderschat en dat hij volledig arbeidsongeschikt is en was, hetgeen wordt bevestigd door zijn psychiater R.W. Jessurun.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder 'zijn arbeid' wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvraag van de arbeidsongeschiktheid feitelijk verrichte werk. Nu appellant laatstelijk werkzaam is geweest als aardappelsorteerder/productiemedewerker, is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt.

4.2. Met betrekking tot de door appellant aangevoerde medische gronden onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in hun rapportages op inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn arbeid. In zijn rapportage van 16 mei 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat appellant al jaren bekend is met psychische klachten, waarvoor hij wordt begeleid, en dat hij diverse medicijnen voorgeschreven heeft gekregen. Uit het heronderzoek door de bezwaarverzekeringsarts is niet gebleken waarom appellant niet aan het arbeidsproces zou kunnen of mogen deelnemen. Hij heeft dan ook het standpunt van de verzekeringsarts onderschreven dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn arbeid.

4.3. Evenals de rechtbank kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan de op 27 mei 2009 uitgebrachte rapportage van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige psychiater dr. A. Wunderink. Bij zijn onderzoek heeft deze psychiater geen duidelijke aanwijzingen gevonden voor een aanzienlijke vermindering van de belastbaarheid van appellant als gevolg van enige psychische stoornis en hij heeft het daarom aannemelijk geacht dat appellant op of na 22 april 2008 in staat was zijn arbeid te verrichten. Volgens vaste jurisprudentie wordt door de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is geboden. De rechtbank heeft op goede gronden het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd. In de door appellant overgelegde verklaring van zijn behandelend psychiater Jessurun, die ziet op een periode vanaf anderhalf jaar na de datum in geding, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om tot een andersluidend oordeel te komen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, kan de Raad evenmin tot een ander oordeel leiden.

4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M. Mostert.

EK