Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0399

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
07-04-2011
Zaaknummer
09-5408 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ZW-uitkering. Nu appellant laatstelijk werkzaam is geweest als chauffeur/bijrijder bij een kringloopwinkel, is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad bestond bij het Uwv op basis van de voorhanden gegevens voldoende inzicht in de aard en belasting van dat werk. De bezwaarverzekeringsartsen hebben in hun rapportages op inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn arbeid. Gelet op de voorhanden medische gegevens heeft bezwaarverzekeringsarts Van Duijn naar het oordeel van de Raad in zijn rapportage van 10 juni 2008 voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder door bezwaarverzekeringsarts Brouwer ingenomen standpunt dat appellant per 11 juli 2000 in staat wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Naar aanleiding van de nadere toelichting van appellant in de brief van 31 januari 2011 en zijn eigen weergave van zijn klachten, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen, nu het in hoger beroep herhaalde standpunt dat zijn klachten van dien aard zijn dat hij niet in staat is zijn arbeid te verrichten niet met nadere medische gegevens is onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5408 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 september 2009, 08/2777 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Goettsch, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2011. Namens appellant is mr. Goettsch verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als chauffeur/bijrijder bij een kringloopwinkel. Na zijn ontslag is hem over de periode van 24 december 1999 tot 18 juli 2000 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Vanuit die situatie heeft appellant zich op 11 juli 2000 ziek gemeld wegens rugklachten, verslavingsklachten en depressieve klachten. Omdat hij hierop van het Uwv niets heeft vernomen, heeft hij zich bij brief van 21 juni 2006 opnieuw ziek gemeld met ingang van 11 juli 2000.

1.2. Op 21 januari 2008 is appellant gezien op het spreekuur van bezwaarverzekeringsarts F.M. Brouwer, die hem per 11 juli 2000 geschikt heeft geacht voor zijn arbeid. Op grond hiervan heeft het Uwv bij besluit van 5 februari 2008 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 11 juli 2000 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.3. Bij besluit van 11 juni 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 februari 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn van 10 juni 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant zijn stelling dat hij wegens rugklachten niet in staat kan worden geacht zijn eigen maatgevende werk te verrichten niet nader met medische gegevens heeft onderbouwd. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat appellant wegens zijn verslaving of psychische problemen niet in staat was te werken, waarbij zij het van belang achtte dat appellant tijdens zijn detentie van september 2000 tot oktober 2001 werkzaamheden verrichtte in de penitentiaire inrichting terwijl hij methadon gebruikte. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

3. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat hij wel degelijk rugklachten had en dat zijn werk in de penitentiaire inrichting niet kan worden vergeleken met zijn werk als medewerker bij het kringloopcentrum. Voorts heeft hij aangevoerd dat zijn verslaving hem in een houdgreep hield en dat hij psychische klachten had, waardoor hij niet in staat was te werken.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ‘zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvraag van de arbeidsongeschiktheid feitelijk verrichte werk. Nu appellant laatstelijk werkzaam is geweest als chauffeur/bijrijder bij een kringloopwinkel, is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad bestond bij het Uwv op basis van de voorhanden gegevens voldoende inzicht in de aard en belasting van dat werk.

4.2. Met betrekking tot de door appellant aangevoerde medische gronden onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad hebben de bezwaarverzekeringsartsen in hun rapportages op inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn arbeid. In zijn rapportage van 10 juni 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat uit de voorhanden medische gegevens blijkt dat appellant met zijn methadongebruik wel reguliere arbeid binnen de penitentiaire inrichting kon uitvoeren, hetgeen volgens hem rechtvaardigt om te stellen dat appellant het eenvoudige werk als medewerker bij een kringloopwinkel ook heeft kunnen doen, mede gezien zijn psychische toestand. Wat betreft de rugproblematiek is geen ernstig letsel naar voren gekomen, terwijl appellant met de rugklachten het werk als chauffeur/bijrijder een jaar lang heeft kunnen verrichten. Deze klachten vormen volgens de bezwaarverzekeringsarts per datum in geding geen belemmering voor zijn arbeid. Gelet op de voorhanden medische gegevens heeft bezwaarverzekeringsarts Van Duijn naar het oordeel van de Raad in zijn rapportage van 10 juni 2008 voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder door bezwaarverzekeringsarts Brouwer ingenomen standpunt dat appellant per 11 juli 2000 in staat wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Naar aanleiding van de nadere toelichting van appellant in de brief van 31 januari 2011 en zijn eigen weergave van zijn klachten, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen, nu het in hoger beroep herhaalde standpunt dat zijn klachten van dien aard zijn dat hij niet in staat is zijn arbeid te verrichten niet met nadere medische gegevens is onderbouwd.

4.3. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M. Mostert.

NK