Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0317

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2011
Datum publicatie
07-04-2011
Zaaknummer
09-2184 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstandsuitkering. Geen dringende reden of bijzondere omstandigheden op grond waarvan van terugvordering zou moeten worden af gezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2184 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 maart 2009, 08/3355 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Mous, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2011. Appellante en mr. Mous zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.C. van Helvoort, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten, omstandigheden en toepasselijke wet- en regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 9 mei 2008 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 20 november 2007 tot en met 10 december 2007 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet werk en bijstand (WWB) herzien en de over die periode teveel gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 412,04 netto van haar teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat aan appellante over genoemde periode een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet is toegekend.

1.2. Bij besluit van 6 augustus 2008 heeft het College het tegen het besluit van 9 mei 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 6 augustus 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe is, samengevat, aangevoerd primair dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien, subsidiair dat er bijzondere omstandigheden zijn om in afwijking van het geldende beleid van terugvordering af te zien en overigens dat zij niet in staat is de openstaande vorderingen van de gemeente tot een totaalbedrag van € 6.316,18 te voldoen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het College voert het beleid dat van terugvordering kan worden afgezien als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Hiervan is sprake als de terugvordering tot onaanvaardbare consequenties leidt voor de geestelijke of lichamelijke gezondheid van degene van wie wordt teruggevorderd.

4.2. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen op grond waarvan het College van terugvordering had moeten afzien. De Raad overweegt hierbij dat appellante de gestelde lichamelijke en psychische klachten niet heeft gepreciseerd en evenmin met objectieve medische gegevens heeft onderbouwd. De Raad ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de terugvordering van het onderhavige bedrag in combinatie met de schuldenlast van € 6.316,18 voor appellante tot onaanvaardbare financiële consequenties leidt. De Raad merkt daarbij op dat appellante bij de invordering van het teruggevorderde bedrag de bescherming heeft, of deze zonodig kan inroepen, van de regels inzake de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.3. De Raad ziet in hetgeen appellante naar voren heeft gebracht evenmin bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van het beleid had moeten afwijken. De Raad merkt daarbij op dat de gestelde (woon)lasten niet substantieel afwijken van die van andere bijstandsgerechtigden en voorts dat appellante ten tijde in geding inwonende verdienende meerderjarige kinderen had met wie zij deze lasten kon delen.

4.4. Voor zover met het hoger beroep is beoogd, naast de vordering van € 412,04, tevens andere openstaande vorderingen van het College ter discussie te stellen kan en zal de Raad daar niet inhoudelijk op ingaan. Ten aanzien van die vorderingen zijn immers in het verleden reeds besluiten genomen die inmiddels in rechte onaantastbaar zijn geworden. De in de brief van 9 mei 2008 opgenomen zinsnede dat de totale schuld € 6.316,78 bedraagt, moet worden gekwalificeerd als een mededeling van louter informatieve aard, die niet is gericht op rechtsgevolg en derhalve niet voor bezwaar en beroep vatbaar is.

4.5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

HD